Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
jus sanguinis), waarbij het Nederlanderschap werd verkregen door afstamming van een vader met Nederlandse nationaliteit en slechts in uitzonderingsgevallen door afstamming van een moeder met Nederlandse nationaliteit. [7] Tegenover dit stelsel staat het stelsel van het
jus soli, waarbij de nationaliteit wordt verkregen door geboorte op het grondgebied van de desbetreffende staat. Het stelsel van
jus soliwerd door de wetgever van 1892 verworpen. Het hoofdbezwaar tegen dit stelsel was volgens de wetgever dat het zou leiden tot de toekenning van een dubbele nationaliteit:
krachtens de daar geldende wetde landsnationaliteit niet deelachtig wordt noch kan worden.’ [18]
het geldende Nederlandse recht(artikel 5, eerste lid, Wet Nederlanderschap) volgt de vrouw — behoudens een uitzonderingsgeval — voor de bepaling van haar nationaliteit haar man. De betekenis hiervan is de volgende.
nietis vereist om de eenheid van nationaliteit binnen het huwelijk te waarborgen en dat in andere gevallen, waarin de vrouw door het huwelijk de nationaliteit van haar man verkrijgt, het verlies van de Nederlandse nationaliteit hiervoor wél nodig zou zijn. Dat lijkt mij niet logisch en ook bezien vanuit de wetgever van 1892 (en daarna) een onwenselijke uitkomst.
Hiermede wordt echter geenszins ontkend, dat welk stelsel ook gevolgd worde, altijd sommige gevallen zich zullen voordoen dat iemand ene dubbele nationaliteit of ook wel dat hij er volstrekt geene heeft. Dit zal nimmer geheel te vermijden zijn.’(MvT WNI 1892 130, p. 3). Het behoud en verlies van de Nederlandse nationaliteit wordt immers mede beïnvloed door de werking van het vreemde nationaliteitsrecht. Ook de gehuwde vrouw kon onder de WNI onder omstandigheden bipatride zijn.’
terlid 2 WNI, waarin was bepaald dat het kind dat tijdens zijn minderjarigheid door een niet-Nederlander werd erkend of gewettigd, zijn Nederlandse nationaliteit niet verliest, indien het ten gevolge van deze rechtshandelingen een andere nationaliteit niet heeft gekregen. De Hoge Raad verwierp het standpunt van de Staat:
terlid 2 zou tot het uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbare gevolg leiden dat een erkenning of wettiging die volgens de op zichzelf duidelijke tekst van die wetsbepaling niet zou leiden tot verlies van de Nederlandse nationaliteit, dit gevolg toch zou hebben, omdat niet voldaan is aan de niet in de tekst van die bepaling voorkomende voorwaarde dat die erkenning of wettiging tot staatloosheid leidt. Hierop behoeft degene die erkent en/of wettigt, niet bedacht te zijn. (…).’
terlid 2 WNI mist relevantie voor de uitleg van art. 5 lid 1 WNI Pro. Afgaande op de wettekst, kwalificeert art. 2
terlid 2 WNI niet als een verliesbepaling, omdat het artikel juist bepaalt dat het kind door wettiging of erkenning door een niet-Nederlander de Nederlandse nationaliteit in bepaalde gevallen
nietverliest. Art. 5 lid 1 WNI Pro houdt daarentegen wél – onomstreden – een verliesgrond in: de toepassing van de (hoofd)regel dat een vrouw staande het huwelijk de staat van de man volgt, leidt ertoe dat de vrouw die huwt met een niet-Nederlandse man, door het aangaan van het huwelijk de Nederlandse nationaliteit verliest. Op deze hoofdregel worden, met het oog op het voorkomen van staatloosheid, uitzonderingen gemaakt, die – zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld – in deze zaak niet van toepassing zijn. Ik ben van oordeel dat de interpretatie van de hoofdregel dat deze ook leidt tot het verlies van het Nederlanderschap in het geval van een vrouw die vóór het aangaan van het huwelijk zowel de Nederlandse nationaliteit als de nationaliteit van haar man bezit, in lijn is met zowel de tekst als de strekking van art. 5 lid 1 WNI Pro. Van een extensieve interpretatie van deze verliesbepaling, die vanuit het oogpunt van rechtszekerheid tot onaanvaardbare gevolgen leidt, is geen sprake.