ECLI:NL:HR:2023:118

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
21/04224
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AWRArt. 322 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak bescheiden vervalsing en verduistering

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2021, waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk in valse vorm ter beschikking stellen van bescheiden, het opzettelijk doen van onvolledige belastingaangiften en verduistering in dienstbetrekking.

De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten voor, waaronder een klacht over de afwijzing van zijn verzoek tot het horen van een reeds gehoorde getuige en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de getuigenverhoren niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren.

Ten aanzien van de redelijke termijn stelde de verdachte dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde echter vast dat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn voldoende werd gecompenseerd.

Daarom concludeerde de Hoge Raad dat geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en verwierp het beroep. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 31 januari 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04224
Datum31 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2021, nummer 23-001235-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 januari 2023.