Conclusie
Nummer21/04224
Het cassatieberoep
1. hij op 21 februari 201 5 te Rhenen opzettelijk als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van bescheiden opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,
De raadsman, mr. Boone, antwoordt:
Het hof wijst de verzoeken van de verdediging tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] af, omdat het horen van deze getuigen – gelet op de hiervoor gegeven onderbouwing – niet noodzakelijk is voor enige in de zaken te nemen beslissing. Daar komt bij dat [betrokkene 1] reeds eerder is gehoord.”
“Bewijsoverwegingen
tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.
Getuigenverzoeken
De toelichting op het eerste middel
De beoordeling van het eerste middel
Keskin-jurisprudentie van het EHRM [4] en de naar aanleiding daarvan gewezen arresten van de Hoge Raad. [5] Een dergelijk
Keskin-geval, te weten het geval waarin de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van een getuige die (in het vooronderzoek of anderszins) een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, doet zich hier echter niet voor. De verzochte getuige is immers in aanwezigheid van de verdediging door de raadsheer-commissaris gehoord. [6]
gelet op de onderbouwing van het verzoek”. Tijdens het wijzen van het arrest heeft het hof zich nogmaals (ambtshalve) bekommerd om het getuigenverzoek en daaraan toegevoegd dat de noodzaak (tevens) ontbreekt in het licht van hetgeen het hof over feit 3 heeft overwogen. Uit die (bewijs)overwegingen valt af te leiden dat het hof reeds op basis van ander bewijsmateriaal (namelijk het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , dat ook als bewijsmiddel is opgenomen) heeft vastgesteld dat van de bankrekeningen van de verdachte geen contante opnamen hebben plaatsgevonden die een eventuele doorbetaling aan [A] zouden verklaren. Mede op basis hiervan oordeelt het hof dat het alternatieve scenario van de verdachte, dat het door [B] ontvangen geld door de verdachte contant zou zijn doorbetaald aan [A] , ongeloofwaardig is. Het hof overweegt dat reeds op basis hiervan feit 3 wettig en overtuigend kan bewezen. Dit heeft vervolgens zijn doorwerking in de feiten 1 en 2. Met andere woorden: ook zonder de verklaring van getuige [betrokkene 1] komt het hof tot een bewezenverklaring.
manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich voordoen indien de door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten die door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. [7]