Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
19 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2021, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal van mobiele telefoons. De verdachte stelde onder meer een bewijsklacht in tegen het oordeel van het hof over nauwe en bewuste samenwerking.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel wordt vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvindt.
Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van één jaar, acht de Hoge Raad het voldoende vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden zonder dat dit tot een ander rechtsgevolg leidt. Het cassatieberoep wordt uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen diefstal mobiele telefoons blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.