ECLI:NL:PHR:2023:602

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2023
Publicatiedatum
16 juni 2023
Zaaknummer
21/03445
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 36f SrArt. 6, eerste lid, EVRMArt. 81, eerste lid, RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen diefstal mobiele telefoons met voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van diefstal van meerdere Samsung mobiele telefoons uit een winkel. Het hof baseerde zijn oordeel op camerabeelden, verklaringen van getuigen en verbalisanten, en het verhoor van een medeverdachte. Uit de beelden bleek dat verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk en bewust handelden, waarbij verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan het wegnemen van de telefoons.

De verdediging voerde in cassatie aan dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was en dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte zich op het moment van de diefstal bij de stelling bevond of dat er communicatie was tussen de verdachten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen voldoende bewijs leverde.

Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gegrond verklaard, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest omdat de opgelegde straf slechts een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken betrof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen diefstal met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03445
Zitting20 juni 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 5 augustus 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van een jaar. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij in haar geheel toegewezen en voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.
Namens de verdachte heeft E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 3 mei 2016 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere mobiele telefoons van het merk Samsung, geheel toebehorende aan [A] B.V.”
4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte […], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van de aangeefster [aangeefster]:
Op vrijdag 6 mei 2016 omstreeks 17.00 uur werd ik aangesproken door een medewerker in de winkel. (...) Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij had gezien dat er drie telefoontoestellen ontbraken op de stelling. Ook hoorde ik dat hij zei dat de stekkers onder de telefoonstellingen uit de stekkerdozen waren gehaald. Deze stekkers vormen een verbinding met de stellingen waarop de telefoontoestellen staan. Als de stekker uit een doos is gehaald is het alarm buiten werking.
(...)
Ik zag dat de stekkers ontkoppeld waren en er drie telefoontoestellen weg waren.
Ik liep naar de tel ruimte waar ik vervolgens de beelden had bekeken van de beveiligcamera's vanaf de ontdekking op 6 mei 2016 te 17.00 uur terug tot aan het moment dat er te zien was dat de telefoontoestellen werden weggenomen. Dit was op 3 mei 2016 tussen globaal 15.00-16.00 uur.
Op camera 2 zag ik twee mannen te noemen man 1 en 2 de winkel binnen komen. Ik zag deze mannen direct in een streep doorliepen naar de stelling met de mobiele telefoontoestellen midden in de winkel.
Op camera 2 zag ik even hierna man 3 de winkel binnen lopen. Deze man liep via een omweg door de winkel ook naar voornoemde stelling waar zich inmiddels man 1 en 2 zich bevonden.
Ik zag vervolgens op de beelden van de bewakingscamera nummer 9 hierna het volgende:
‘Ik zag twee mannen bij de voornoemde stelling, midden in de winkel, komen aanlopen. (Deze mannen zal ik u nog omschrijven). Ik zag man 1 met een van zijn voeten de stekkerdoos onder de stelling tevoorschijn vegen. Hierna zag ik dat man 1 zich bukte en welhaast de stekker uit de stekkerdoos moet hebben getrokken zodat het alarm werd uitgeschakeld. Hierna zag ik dat man 1 om de stelling heen liep en dezelfde handeling verrichtte als hiervoor omschreven. Achteraf bleek dat man 1 aldaar 2 stekkers uit de stekkerdoos had gehaald waardoor het alarm werd uitgeschakeld. Terwijl man 1 deze handelingen verrichtte zag ik op de beelden een man 2 heen en weer lopen die om zich heen keek en waarvan ik de indruk kreeg dat hij de omgeving in de gaten hield.
Hierna zag ik man 3 op de camera 9 verschijnen. Ik zag dat deze man zich voegde bij de andere twee mannen rond de voornoemde stelling. Alle drie mannen liepen rond de stelling en bekeken diverse telefoontoestellen alsmede product specificaties.
Hierna zag ik dat man 3 het zicht op man 1 blokkeerde die voor de stelling stond bij de Samsung toestellen. Hierna zag ik dat man 1 een handeling bij de telefoontoestellen verrichtte. Vervolgens zag ik dat man 1 twee of drie toestellen gaf aan man 3. Ik zag dat man 3 vervolgens meerdere toestellen in zijn broekzak stopte. Hierna zag ik dat alle drie mannen weg liepen bij de stelling waarna man 1 en 2 via een omweg de winkel uitliepen. Man 3 liep rechtstreeks via de kassa naar buiten. Man 1 en 2 liepen ook via de kassa naar de uitgang alwaar zij nog een praatje maakten met de kassamedewerker.’
(...)
Ik zal u de mannen die op de beelden staan omschrijven:
(...)
Man 2
Leeftijd rond 50 a 60 jaar
Blanke man
Kort grijs haar
Stevig postuur
Lichte blouse
(...)
Bijlage goederen
Goednummer; PLO600-2016228766-1 128463
Categorie omschrijving: Geluid en beeldapp/drager
Object: Communicatieap (Mobilofoon)
Aantal/eenheid: 1 St
Merk/type: Samsung Galaxy S4
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Registratienummer: [001]
Waarde: EUR 300.00
Eigenaar: [A], [a-straat 1], [postcode] [plaats]
Goednummer: PL0600-2016228766-1 128465
Categorie omschrijving: Geluid en beeldapp/drager
Object: Communicatieap (Mobilofoon)
Aantal/eenheid: 1 St Merk/type: Samsung Galaxy S5
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Registratienummer: [002]
Waarde: EUR 400.00 Eigenaar: [A], [a-straat 1], [postcode]
Goednummer: PLO600-2016228766-1128468
Categorie omschrijving: Geluid en beeldapp/drager
Object: Communicatieap (Mobilofoon)
Aantal/eenheid: 1 St
Merk/type: Samsung Galaxy S6
Kleur: Zwart
Land: Nederland
Registratienummer: [003]
Waarde: EUR 500.00
Eigenaar: [A], [a-straat 1], [postcode] [plaats]
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen […], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op fotobestand zijn twee personen zichtbaar. Een persoon is zichtbaar met lichtkleurige bovenkleding en lichtkleurig haar en rechts daarvan op de foto is een tweede persoon zichtbaar met donkerkleurige bovenkleding en kort donker haar.
(...)
De persoon met lichtkleurige bovenkleding en lichtkleurig haar herken ik als de mij ambtshalve bekende: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats].
(…)
In mijn functie als wijkagent heb ik meerdere malen, ook recent, contact gehad met genoemde personen die ik op genoemde foto’s herken.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen […], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op foto dader 1 en 2a.jpg zijn twee personen zichtbaar. Een persoon is zichtbaar met lichtkleurige bovenkleding en lichtkleurig haar en rechts daarvan op de foto is een tweede persoon zichtbaar met donkerkleurige bovenkleding en kort donker haar.
De persoon met lichtkleurige bovenkleding en lichtkleurig haar herken ik als de mij ambtshalve bekende: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats].
(...)
Op foto kassa dader 1 en 2a.jp staan de beide hierboven omschreven personen nogmaals afgebeeld echter is daarbij te zien dat [betrokkene 1] een donkerkleurige broek draagt en links op de foto staat afgebeeld. [verdachte] draagt eveneens een donkerkleurige broek en staat rechts op de foto afgebeeld.
(...)
Ik ben van januari 2007 t/m augustus 2015 werkzaam geweest als wijkagent in de wijk [wijk] en had in deze periode meerdere malen contact met beide verdachten.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen […], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
Op de camerabeelden zie ik dat bovenstaande verdachten de volgende handelingen verrichten:
Ik zie dat Cam 9 op 3-5-2016 omstreeks 15:32 uur registreert dat verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] richting een stelling lopen. Volgens de aangifte is dit de stelling waar de telefoontoestellen liggen en waar de betreffende telefoons zijn gestolen.
Ik zie dat [betrokkene 1] dicht tegen de stelling aan gaat staan en zijn rechterbeen richting de stelling strekt en daarna naar de onderkant van de stelling bukten zijn rechterarm uitstrekt. Volgens de aangifte zal dit handeling zijn geweest waarmee de stekker van de alarm installatie uit de stekkerdoos is getrokken.
Daarna zie ik dat [verdachte] aan de voorzijde van deze stelling blijft staan. [betrokkene 1] verdwijnt links uit het beeld. Ik zie enkele seconden daarna dat [betrokkene 1] weer links onderin in het beeld verschijnt. Alleen zijn hoofd en schouders zijn in beeld. Aan zijn houding te zien, zit hij gehurkt tegen de linkerzijde van dezelfde stelling aan. Ik zie dat [verdachte] op dat moment om zich heen aan het kijken is.
Daarna zie ik dat [verdachte] zich omdraait en terug langs de stelling op loopt. Linksaf slaat en uitbeeld verdwijnt.
Tegelijkertijd zie ik dat verdachte [betrokkene 2] recht het beeld in loopt en recht het beeld weer uitloopt. Daarna ziet ik dat [betrokkene 1] bovenin het beeld weer verschijnt en richting de rechterkant van de stelling loopt. Tegelijkertijd zie ik dat [verdachte] van onderuit ook het beeld weer in komt lopen. Beide lopen ze naar het midden van de stelling. Ik zie dat [verdachte] met zijn linkerhand naar de telefoons reikt en iets vast pakt. Daarop zie ik dat [betrokkene 2] bij hun gaat staan. Aan hun lichaamstaal te zien waren ze aan communiceren met elkaar. Daarna zie ik dat [verdachte] wederom naar de telefoons reikt en iets vast pakt. Dit houd hij vast. Met zijn drieën staan ze te kijken wat hij vast heeft. Ze staan zo dicht tegen elkaar aan dat ik niet kan zien wat ze aan het doen zijn.
Daarna zie ik dat [verdachte] weer iets uit de stelling pakt. Hij reikt een aantal keren met zijn armen naar de stelling. Daarop zie ik dat [betrokkene 1] linksboven in het beeld weer uit loopt. Ik zie dat [betrokkene 2] achter hem aan loopt. Ik zie dat [verdachte] weer een aantal keren met zijn handen naar de telefoons reikt.
Enkele secondes later lopen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onderin het beeld weer in. Beide gaan weer bij [verdachte] staan. [betrokkene 1] reikt dan ook weer een aantal keren met zijn handen naar de telefoons. Daarop zie ik dat [verdachte] bovenin het beeld uitloopt. Een paar secondes later loopt hij het beeld weer in. Wederom reikt [betrokkene 1] naar de telefoons. Ik zie dat hij daar een voorwerp wat op een telefoon lijkt aan [betrokkene 2] geeft. Ik zie dat [betrokkene 2] dit voorwerp gelijkend op een mobiele telefoon onder zijn jas dan wel tussen zijn broekband stopt.
Ik zie dat [betrokkene 1] en [verdachte] rechtsonder het beeld uitlopen. Tegelijkertijd zie ik dat [betrokkene 2] door zijn knieën gaat en met zijn hand tussen de broek en de jas gaat. Daarna trekt hij zijn broek en jas recht. [betrokkene 2] staat weer op en loopt achter [betrokkene 1] en [verdachte] aan. Dan stopt het beeld.
Ik zie dat Cam 11 op 03-05-2016 omstreeks 15.35 uur registreert dat verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] bij de kassa in de rij gaan staan. Ik zie dat ze even moeten wachten omdat de kassamedewerker in gesprek is met twee onbekende personen. Als deze personen weglopen zie ik dat beide in gesprek gaan met de kassamedewerker. Na enkele seconden zie ik dat beide verdachten bij de kassa weglopen. Ik zie bij dit weglopen dat [betrokkene 1] iets in de hand heeft wat gelijkend is op een mobiele telefoon.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte […], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van medeverdachte [betrokkene 2]:
V: Beken je dat je de telefoons hebt gestolen en/of medeplichtig bent geweest aan de diefstal van de telefoons?
A: Ja.
V: Met wie was je daar in de [A] te [plaats]?
A: Ik was daar met [verdachte] en [betrokkene 1].
V: Vertel mij nu eens wat er die dag is gebeurd en wat er is afgesproken over de diefstal?
A: Ik heb daar niets op te zeggen. De beelden spreken voor zich, daar heb ik niet meer over te zeggen.
V: Wat is er met de telefoons gebeurd?
A: Dat weet ik niet.
V: Jij stopt de telefoons in je broek?
A: Ik heb er 1 weggestopt ja.
V: Wat is er met die telefoon gebeurd?
A: Ik heb de telefoon aan [verdachte] of [betrokkene 1] gegeven. Meer kan ik niet meer vertellen.
V: Heb je daar wat voor gekregen van [verdachte] of [betrokkene 1]?
A: Nee niet dat ik weet.
V: Waarom heb je het gedaan dan?
A: Het kan zijn dat ik daar wat voor heb teruggekregen, geld ofzo. Dat weet ik niet meer. Ik heb een (1) telefoon gestolen en niet meer. Ik hoor je namelijk telefoons zeggen.
V: Er zijn inderdaad drie telefoons gestolen. Je weet van die andere telefoons helemaal niets af?
A: Nee.
(…)
V: Heeft [betrokkene 1] en [verdachte] ook telefoons meegenomen?
A: Ik wil daar niets over zeggen. Ik weet het ook niet. Ik heb bekend dat ik 1 telefoon heb gestolen en dat is het.”
5. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de diefstal in vereniging heeft gepleegd of medeplichtig is aan die diefstal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens gevraagd verdachte vrij te spreken, wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van het hof
Het hof is – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
In het bijzonder overweegt het hof dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte en zijn medeverdachten – [betrokkene 2] en [betrokkene 1] – op de tenlastegelegde pleegdatum in vereniging de diefstal hebben gepleegd. Het hof komt tot die conclusie op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten. Uit de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen […] volgt dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte samen met [betrokkene 1] om 15:32 uur de winkel betreedt en direct richting de stelling loopt waar de telefoontoestellen liggen. Volgens de aangifte is dit de stelling waar de telefoons zijn gestolen. Vervolgens bukt [betrokkene 1] tweemaal, kennelijk om het alarm uit te schakelen. Verdachte blijft aan de voorzijde van de stelling staan en kijkt daarbij om zich heen. Even later is te zien dat verdachte naar het midden van de stelling loopt en ‘met zijn linkerhand naar de stelling reikt en iets vast pakt'. Op dit moment komt [betrokkene 2] erbij staan en is aan hun lichaamstaal te zien dat de drie met elkaar communiceren. Verdachte reikt nog een aantal keer naar de telefoons en de medeverdachten kijken naar wat hij vast heeft. Ook [betrokkene 1] reikt een aantal keer naar de telefoons en geeft een voorwerp ‘gelijkend op een telefoon' aan [betrokkene 2], die het ‘onder zijn jas dan wel tussen zijn broekband stopt'. Omstreeks 15:35 uur staan verdachte en [betrokkene 1] in de rij bij de kassa. Na een gesprek met de kassamedewerker lopen ze de winkel uit. Te zien is dat [betrokkene 1] een voorwerp in de hand heeft dat lijkt op een mobiele telefoon.
Het hof leidt hieruit af dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte en zijn medeverdachten kwamen vlak na elkaar de winkel binnen en zijn slechts een korte tijd binnen geweest. In dit korte tijdsbestek zijn ze alleen rondom de stelling geweest waar de mobiele telefoons zijn weggenomen. Gedurende de diefstal communiceerde verdachte met zijn medeverdachten. Het hof acht mede redengevend dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij daar met verdachte en [betrokkene 1] was, dat hij heeft verklaard dat de beelden voor zich spreken, dat hij heeft bekend een telefoon te hebben gestolen en dat hij heeft verklaard dat hij die telefoon aan verdachte of [betrokkene 1] heeft gegeven.”
III. Het eerste middel en de bespreking daarvan
6. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van medeplegen van diefstal niet naar de eis der wet met redenen is omkleed dan wel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat uit de bewijsvoering geen nauwe en bewuste samenwerking ten laste van de verdachte kan blijken. Zo laten de stukken niet zien waar de verdachte zich bevond op het moment dat de telefoons werden weggenomen, blijkt verder uit de gebezigde bewijsmiddelen niet dat op dat moment sprake was van communicatie tussen de verdachte en zijn medeverdachten en volgt uit het vierde bewijsmiddel dat de verdachte ‘het beeld uitloopt’, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bij een andere stelling is, aldus de steller van het middel.
7. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Ik haal uit het arrest van HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394 [1] het volgende aan. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
8. Het hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer dat wegens gebrek aan voldoende overtuigend en wettig bewijs vrijspraak dient te volgen, verworpen. Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal heeft het hof geoordeeld dat het tenlastegelegde medeplegen van diefstal in vereniging kan worden bewezenverklaard. Tot dat oordeel komt het hof in het bijzonder op basis van de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ van de gedragingen van de verdachte en zijn twee medeverdachten (in deze conclusie gemakshalve verder aan te duiden als [betrokkene 1] en [betrokkene 2]). Daarbij gaat het om wel wat meer dan in de toelichting op het middel wordt voorgesteld. Uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen 1 en 4, waarin door de aangeefster respectievelijk de verbalisant wordt beschreven wat de camerabeelden laten zien, volgt dat de verdachte om 15:32 uur samen met [betrokkene 1] de winkel betreedt en zij beiden direct richting de stelling lopen waar de telefoontoestellen liggen. Volgens de aangifte is dit de stelling waar de telefoons zijn gestolen. Vervolgens bukt [betrokkene 1] een keer en hurkt hij, nadat hij even uit het beeld is verdwenen, nog eens, kennelijk om (telkens) het alarm uit te schakelen. De verdachte is aan de voorzijde van de stelling blijven staan en heeft daarbij om zich heen gekeken. Ook heeft de verdachte toen heen en weer gelopen. Even later is te zien dat de verdachte naar het midden van de stelling loopt en met zijn linkerhand “naar de stelling reikt en iets” vastpakt. Op dit moment komt [betrokkene 2] erbij staan en is aan hun lichaamstaal te zien dat ze – ik, A-G begrijp: alle drie – met elkaar communiceren. De verdachte reikt vervolgens nog een aantal keer met zijn armen naar de telefoons en pakt iets vast, terwijl de medeverdachten kijken naar wat hij vastheeft. Ook [betrokkene 1] reikt een aantal keer naar de telefoons. Hij staat dan naast de verdachte en [betrokkene 2]. [betrokkene 1] geeft een voorwerp “gelijkend op een telefoon” aan [betrokkene 2], die het “onder zijn jas dan wel tussen zijn broekband stopt”. [betrokkene 2] gaat door zijn knieën en met zijn hand tussen broek en jas, waarna hij deze rechttrekt en weer achter de verdachte en [betrokkene 1] aan loopt. Omstreeks 15:35 uur staan de verdachte en [betrokkene 1] in de rij bij de kassa. Beiden gaan in gesprek met de kassamedewerker. Daarna lopen ze de winkel uit en is te zien dat [betrokkene 1] een voorwerp in zijn hand houdt dat lijkt op een mobiele telefoon.
9. Uit het voorgaande heeft het hof afgeleid dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij wijst het hof er nadrukkelijk op dat (i) de verdachte en zijn medeverdachten vlak na elkaar de winkel binnenkwamen, (ii) zij slechts korte tijd binnen zijn geweest, (iii) zij in dit korte tijdsbestek alleen rondom de stelling zijn geweest waaruit de telefoons zijn weggenomen en (iv) de verdachte gedurende de diefstal communiceerde met zijn medeverdachten. Voorts heeft het hof (v) redengevend geacht dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij daar met de verdachte en [betrokkene 1] was, de beelden voor zich spreken, hij een telefoon heeft gestolen en hij die telefoon aan de verdachte of [betrokkene 1] heeft gegeven.
10. Het bestreden oordeel van het hof acht ik noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Uit ’s hofs vaststellingen (in onderlinge samenhang bezien) en bewijsoverwegingen blijkt immers dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gezamenlijk uitgevoerde diefstal. Ik wijs wat betreft de handelingen van de verdachte in het bijzonder op:
- het samen met [betrokkene 1] de winkel binnenlopen;
- het samen met [betrokkene 1] direct lopen naar de stelling waar de telefoons zijn gestolen;
- het om zich heen kijken terwijl [betrokkene 1] bezig is het alarm uit te schakelen;
- het meermaals reiken naar de telefoons en iets vastpakken;
- het overleg met de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over wat de verdachte op dat moment in zijn hand heeft;
- het gezamenlijk met [betrokkene 1] in gesprek gaan met de kassamedewerker;
- het gezamenlijk met [betrokkene 1] weglopen bij de kassa, terwijl [betrokkene 1] een op een telefoon gelijkend voorwerp in zijn hand heeft;
- de verklaring van [betrokkene 2], dat hij één telefoon heeft gestolen en aan de verdachte of zijn medeverdachte heeft gegeven.
11. Dat uit deze vaststellingen niet blijkt wat er door de verdachte en de medeverdachten precies is gezegd tijdens hun tussentijdse communicatie en tevens niet blijkt of de verdachte zelf een wegnemingshandeling heeft verricht, acht ik gelet op de concrete omstandigheden van dit geval niet van betekenis. Ik merk daarbij op dat de gemeenschappelijke intentie van een groep, zoals deze blijkt uit de gezamenlijke gedragingen, belangrijker is dan het gewicht van de individuele bijdrage die een verdachte aan het feit levert. [2] Aan het voorgaande doen evenmin de contra-argumenten af die in de toelichting op het middel naar voren worden gebracht. De stelling dat “uit de stukken niet [kan] blijken waar” de verdachte zich bevond op het moment dat de telefoons werden weggenomen, gaat niet op. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij even uit beeld was, het beeld weer in loopt. Dat kan, bij gebreke van een andersluidende (plausibele) uitleg, niet anders betekenen dan dat hij in dat korte tijdsbestek en nog voordat de telefoons daadwerkelijk werden weggenomen zich nog altijd in de buurt van de stelling bevond. Het (volgende) tegenargument dat uit de bewijsmiddelen niet zou blijken “dat er op dat moment sprake was van communicatie tussen” de verdachte en zijn medeverdachten, en dat dit volgens de steller van het middel klemt omdat het medeplegen naar zijn opvatting is gebaseerd op de bevinding dat er gecommuniceerd is, berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft in dit verband aan zijn oordeel de omstandigheid ten grondslag gelegd dat de verdachte heeft gecommuniceerd met zijn medeverdachten terwijl hij iets in zijn hand hield dat hij net uit de stelling had gepakt, en niet dat er communicatie tussen hen plaatsvond tijdens het (later) door [betrokkene 1] wegnemen van de telefoon(s) uit de stelling. Ook het laatste punt van de steller van het middel – te weten dat ’s hofs oordeel dat “ze” alleen zijn geweest rond de stelling waar de telefoons zijn weggenomen zich slecht zou verhouden tot de vaststelling dat de verdachte het beeld is uit gelopen – mist doel. Het hof doelt met “ze” onmiskenbaar op de verdachte en zijn medeverdachten als groep. Dat de verdachte even uit beeld is gelopen, doet niet af aan het feit dat de verdachte en zijn medeverdachten
tezamenslechts bij de bewuste stelling zijn geweest gedurende de korte tijdspanne dat zij zich in de winkel bevonden.
12. Het middel faalt. [3]
IV.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
13. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
14. Deze klacht is terecht voorgesteld, maar tot cassatie leidt zij niet. Namens de verdachte is op 10 augustus 2021 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 november 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden [4] met ruim zes maanden is overschreden. Nu de aan de verdachte opgelegde straf enkel bestaat uit een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, kan de Hoge Raad volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. [5]
V. Slotsom
15. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel is weliswaar terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Waarin wordt verwezen naar HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
2.Zie daarover mijn conclusie vóór HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1080. Zie ook de conclusies van mijn ambtgenoten Aben vóór HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187,
3.Daarbij zij opgemerkt dat in de cassatieschriftuur niet erover wordt geklaagd dat het hof tot zijn oordeel is gekomen op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Dat punt laat ik daarom hier rusten. Zie over dat thema S.S. Arendse,
4.Zie HR 17 juni, 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.Zie wederom HR 17 juni, 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,