ECLI:NL:HR:2023:1322
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen een termijn van vier weken. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna adresverificatie plaatsvond en de brief alsnog per gewone post werd verzonden.
Het griffierecht werd echter niet binnen de gestelde termijn voldaan. Vervolgens kreeg belanghebbende opnieuw een aangetekende brief om binnen vier weken te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. Ook deze brief werd onbestelbaar geretourneerd, waarna opnieuw adresverificatie plaatsvond en de brief per gewone post werd verzonden.
Belanghebbende maakte geen tijdig gebruik van deze gelegenheid en de stukken die na afloop van de termijn werden ingediend, werden buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.