Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
4.Beslissing
13 oktober 2023.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een geschil over dwaling bij de overname van aandelen in twee ondernemingen, AGW en BMD, waarbij de koper, Maetis, stelt dat zij onvoldoende geïnformeerd was over het aantal klantopzeggingen voorafgaand aan de koop. Dit leidde tot een onjuist beeld van de duurzame EBIT waarop de koopprijs was gebaseerd.
De koopprijs was vastgesteld op basis van een vermenigvuldiging van de EBIT 2008 met een factor van 5,47. Na de overdracht bleek dat meer klanten hun contract hadden opgezegd dan was gemeld, wat een omzetdaling van circa 14% veroorzaakte. Maetis vorderde een verlaging van de koopprijs wegens deze dwaling.
Het hof had de koopprijs verlaagd door deze met 14% te verminderen, maar verwierp een aanpassing van de EBIT of de multiplier als basis voor de berekening. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom een aanpassing van EBIT of multiplier niet passend zou zijn, gelet op de stellingen over niet-duurzame EBIT en de impact van vaste kosten.
Daarnaast werd geoordeeld dat een onverschuldigde betaling door een klant die in 2008 in de boekhouding was opgenomen, maar later werd teruggevorderd, in mindering moest worden gebracht op de koopprijs. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Den Haag.