Uitspraak
gevestigd te Utrecht,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 december 2019.
Hoge Raad
Partijen sloten een koopovereenkomst waarbij Maetis aandelen van twee vennootschappen kocht, met koopprijs gebaseerd op een duurzame EBIT 2008 vermenigvuldigd met een vaste multiplier. Na het due diligence onderzoek bleek dat klanten onvoorwaardelijk hadden opgezegd, wat niet volledig was meegedeeld door de verkopers, waardoor Maetis stelde te hebben gedwaald over de waarde van de onderneming.
Maetis vorderde aanpassing van de koopprijs wegens dwaling of subsidiair schadevergoeding wegens tekortkoming. Hof oordeelde dat de wijze van berekening van het dwalingsnadeel via aanpassing van EBIT 2008 of multiplier niet geschikt was en wees de vorderingen af. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel, omdat het hof onvoldoende motiveerde waarom aanpassing niet mogelijk is, terwijl artikel 6:230 lid 2 BW Pro de rechter juist bevoegdheid geeft tot aanpassing van de overeenkomst.
De Hoge Raad stelt dat het hof de omvang van het dwalingsnadeel had moeten vaststellen, eventueel schattenderwijs, en dat het oordeel over de jaarrekening en de Osira-kwestie onbegrijpelijk was. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere behandeling en beslissing.