ECLI:NL:HR:2023:1433
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel over contante stortingen en weigert vertaalplicht van vreemde taalstukken
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat contante stortingen op zijn zakelijke rekening huurinkomsten uit onroerend goed in Irak betreffen en niet tot de omzet van zijn eenmanszaak behoren. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de stortingen omzet zijn en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om dit te weerleggen, mede omdat de overgelegde Arabische stukken niet vertaald waren en daardoor niet als bewijs konden dienen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof hem had moeten verplichten tot het overleggen van een vertaling van deze stukken. De Hoge Raad oordeelde dat er geen wettelijke regeling bestaat die het overleggen van vertalingen in bestuursrechtelijke procedures voorschrijft, maar dat de rechter uit hoofde van behoorlijke rechtspleging een partij in beginsel gelegenheid moet geven tot vertaling tenzij de procesorde zich daartegen verzet.
Het Hof had dit echter niet gedaan en daarmee het procesrecht geschonden. Desondanks kon dit niet leiden tot vernietiging van de uitspraak omdat de overige feiten en bewijsvoering voldoende waren om het oordeel te dragen dat de contante stortingen omzet zijn en de stellingen van belanghebbende onvoldoende waren onderbouwd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof. Tevens wees de Hoge Raad de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.