Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 oktober 2023.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of het gerechtshof bij het vaststellen van een som ineens op grond van art. 4:36 BW Pro rekening mocht houden met voordelen die een kind heeft genoten, ook voor zover deze niet als beloning voor zijn werkzaamheden kunnen worden beschouwd.
De vader van verzoeker [C] is overleden en liet een agrarisch bedrijf na waarin [C] werkzaamheden heeft verricht. [C] vorderde een som ineens van € 233.469,25 als billijke vergoeding voor zijn arbeid. Het hof wees dit verzoek af omdat de voordelen die [C] door de jaren heen had genoten, zoals bespaarde huur en kosten bedrijfsruimte, hoger waren dan het maximaal toe te kennen bedrag.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 4:36 lid 2 BW Pro weliswaar bepaalt dat voordelen in mindering komen voor zover deze als beloning kunnen worden beschouwd, maar dat de rechter ook andere voordelen in aanmerking mag nemen bij de billijkheidsbeoordeling. Het hof heeft dit correct toegepast en het cassatieberoep wordt verworpen.
De uitspraak bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de rechter bij het vaststellen van een billijke vergoeding en verduidelijkt dat niet alleen beloningsvoordelen maar ook andere voordelen kunnen worden meegewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat ook niet-beloningsvoordelen mogen worden meegewogen bij vaststelling van een som ineens.