Uitspraak
mr. A.J.A. Assink te Enschede,
alle overige stukken- steeds deugdelijk geordend - waarvan [verzoeker] weet dan wel redelijkerwijs kan vermoeden dat deze voor beantwoording, althans verduidelijking, van de onder r.o. 3.7.3 van deze beschikking geformuleerde kwestie van belang (kunnen) zijn” – nieuwe producties heeft overgelegd. De (drie) erven hebben hiervan ieder gebruik gemaakt.
- de ‘antwoord’ akte van de erven van 1 juli 2021 (met producties 30 tot en met 50);
6.De verdere beoordeling
Het hof acht zich op grond van de tot op heden door partijen in het geding gebrachte stukken alsmede het ter zitting in hoger beroep verhandelde vooralsnog onvoldoende geïnformeerd om thans reeds tot een oordeel te komen. Daarbij overweegt het hof dat [erfgenaam 1] , [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook het vermoeden hebben geuit dat [verzoeker] (nog) niet alle stukken waarover hij (zou) beschikken via de vereffenaar aan hen ter hand zou hebben gesteld. Alvorens met betrekking tot eenieders bijdragen, werkzaamheden en genoten (financiële) voordelen tot aan het tijdstip van overlijden van erflater enige berekening te kunnen maken dient een en ander naar het oordeel van het hof alsnog zoveel als mogelijk nauwgezet en in zijn totaliteit in kaart te worden gebracht. Het hof sluit niet uit dat daartoe een comparitie van partijen – voorshands voor één nader te benoemen raadsheer-commissaris - zinvol kan zijn, nadat uitvoering is gegeven aan hetgeen hierna wordt bepaald.Tijdens deze comparitie zullen dan ook kunnen worden besproken welk aanvangsmoment te gelden heeft bij de beoordeling van de door [verzoeker] gestelde werkzaamheden (meerderjarigheid naar de regels van 1976 dan wel meerderjarigheid naar huidige maatstaven); welke werkzaamheden de overige kinderen hebben verricht; welke ‘voordelen’ tot overlijden van erflater aan [verzoeker] (dan wel aan hem gelieerde derden) dan wel andere kinderen zijn toegekomen; omvang van de nalatenschap gezien de grens van artikel 4:37 lid 4 BW Pro en gezien de tussen erfgenamen daarover gevoerde discussie en/of procedure; en aan hetgeen overigens kan bijdragen aan de afdoening.Ook zal de comparitie kunnen worden benut om te bezien welke punten – bij voortdurend verschil van inzicht – het eerst via bewijslevering kunnen worden verduidelijkt. Uiteraard zal op een dergelijke comparitie ook gesproken kunnen worden over een regeling in der minne.
Hierbij heeft het hof geen acht geslagen op de nieuwe stellingen als betrokken in en op de producties als door de (drie) erven gevoegd bij hun laatste akte uitlating producties, nu [verzoeker] geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Wel heeft het hof bij zijn oordeel betrokken de standpunten waarbij op (deels nieuwe) stellingen van [verzoeker] wordt ingegaan als geformuleerd in zijn laatste (antwoord)akte.
arbeid gedurende zijn meerderjarigheid verricht”.
Minderjarigen, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet de leeftijd van 18 jaar reeds hebben bereikt, worden op genoemd tijdstip meerderjarig”) blijkt dat de wet geen terugwerkende kracht had, zodat [verzoeker] nog steeds pas op [geboortedatum] 1979 meerderjarig is geworden.
Aan de periode van dienstplicht van [verzoeker] in 1979 zal het hof hieronder apart aandacht besteden.
opeisbaarnadat zes maanden na overlijden van de erflater zijn verstreken. Ten tijde van de gestelde en in deze relevante arbeid (1979-1986) gold voorts dat ingevolge artikel 1286 lid 3 BW Pro-oud wettelijke rente (en in geval van uitsluitend de niet-tijdige betaling van een geldsom was dat de enig mogelijke rente, zie HR 10 april 1998, NJ 1998, 59) eerst verschuldigd was na ingebrekestelling of dagvaarding. Ter zake is niets gesteld of gebleken voor de periode vóór overlijden van de erflater – voor zover al mogelijk ten aanzien van een eerst per 1 januari 2003 ingevoerde mogelijke aanspraak, althans vóór dat moment.
Aldus heeft het hof nader onderbouwd (en deels herhaald) hetgeen is overwogen in overweging 3.7.7. van de tussenbeschikking.
afgerond
per saldogenoemd in onderdeel 209 van zijn beroepschrift), hiervan af te trekken de jaren 1976-1978 alsook de maand januari 1979 alsook drie van de vier maanden dienstplicht in 1979 (zie punt 23 van de akte van [verzoeker] van 29 juli 2021), waarbij de eerste dagen van februari 1979 - die in feite ook niet zouden mogen meetellen - de beperkte afronding naar beneden rechtvaardigen.
maximaal€ 129.000, = zou resteren als rekenkundig enigszins onderbouwde aanspraak.
“vordering [erfgenaam 1] ”)is klaarblijkelijk een door [verzoeker] gestelde vordering op [erfgenaam 1] , maar in dit kader zal het hof daar voorshands geen enkele waarde aan toekennen nu van enige aanspraak als ooit door erflater en/of moeder geformuleerd in het geheel niet is gebleken. Het gestelde verlies bij beleggen is op geen enkele wijze onderbouwd noch de verwijtbaarheid respectievelijk aansprakelijkheid van [erfgenaam 1] in dat verband.
inclusiefde legaten. Op grond van artikel 4:37 lid 4 BW Pro, laatste zin moeten – althans in het kader van een aanspraak krachtens artikel 4:36 BW Pro - alleen de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder Pro a tot en met e BW in mindering worden gebracht op de baten. De legaten kleinkinderen (€ 60.900,=) en de legaten OZ ( [verzoeker] en [erfgenaam 1] , ad € 607.000,=) tellen niet mee, want dat zijn schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub Pro h (en/of i) BW. Het hof zal derhalve rekenen met een relevante schuldenlast ad € 658.001,48.
de waarde daarvan in het economisch verkeer’ (productie 3 bij verzoek eerste aanleg, artikel C p. 1). In de staat van inventarisatie c.a. bij akte van boedelverdeling van 24 september 2010 (onderdeel van productie 1 bij het verzoek in eerste aanleg van [verzoeker] ) wordt de boerderij met ondergrond nog gewaardeerd op meer dan 1 miljoen euro, dus ruim boven de thans genoemde waarde.
Maar zelfs met de mogelijk te lage waarde resteert al € 744.292,53 als positief saldo na aftrek van de relevante schulden, waarvan de helft rekenkundig al
Het hof zal echter – naast, en
nahet alsdan in ieder geval eerst aan [verzoeker] opdragen van getuigenbewijs ten aanzien van de door hem gestelde arbeid en in het bijzonder de uitzonderlijk grote omvang ervan gedurende de gestelde periode en het gestelde ‘daarvoor niets hebben ontvangen’ (zie nog hierna), gezien het door de andere kinderen uitvoerig gemotiveerd betwisten hiervan – pas kunnen overgaan tot een dergelijke instructie (aan deskundigen) indien in voldoende mate waarschijnlijk zal zijn dat [verzoeker] überhaupt enig bedrag toekomt.
Ten overvloede merkt het hof op dat het hier moet gaan om de door [verzoeker] , dan wel - in zijn eigen woorden (punt 2 derde gedachtestreepje antwoordakte van [verzoeker] van 29 juli 2021) - door aan hem
gelieerde derden, genoten voordelen, nu hij een aanspraak maakt op een billijke vergoeding en de andere kinderen over en weer (en richting [verzoeker] ) in dat kader geen enkele aanspraak hebben geformuleerd. Ook al is het nagenoeg onmogelijk ieder kind steeds 100% gelijk te behandelen: ten aanzien van degene die een extra vergoeding wenst is het billijk de door deze persoon concreet genoten voordelen te bezien.
[verzoeker] heeft in het geheel geen verklaring voor zijn vermogensopbouw tot eind 1987 gegeven, terwijl blijkbaar wel meer dan elfduizend gulden rente werd genoten over 1987. Weliswaar rept [verzoeker] van het nooit doen van uitgaven, maar dat leidt - wat daar verder van zij, en los van de betwisting hiervan door de erven - als zodanig niet tot grote vermogens
opbouw. Dat [verzoeker] ook vóór 1987 geen aangifte inkomstenbelasting hoefde te doen is voorshands onwaarschijnlijk, nu de (drie) erven terecht hebben gewezen op de toen geldende aangifteplicht bij bepaalde rente-inkomsten.
met instemmingvan de andere kinderen (de drie erven)), en evenmin van een regeling in de gestelde huurovereenkomst vóór de situatie na datum van overlijden - gezien het betoog van [verzoeker] aangaande de lage huurprijs -, dat tevens door zijn vriendin in het kader van de huurovereenkomst verzorging werd aangeboden aan erflater, welke door de andere kinderen uitdrukkelijk betwiste verzorging uit de aard der zaak is beëindigd per overlijdensdatum van erflater.
22.500,=, als ook niet door [verzoeker] weersproken, zal door het hof in de beoordeling worden meegenomen als genoten voordeel. Dat erflater niet wilde dat [verzoeker] rente zou betalen betekent - wat er verder van zij - niet dat geen sprake zou zijn van een relevant voordeel. Sterker nog: uit het betoog van [verzoeker] blijkt dat dit juist zeer zeker in de context van de billijke vergoeding een rol verdient te spelen.
ookzijn stellingname en hij heeft ook daartoe een PGB-budget ontvangen. De (drie) erven hebben betwist dat [verzoeker] de verzorging op zich heeft genomen en zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] alleen naar buiten toe graag optrad. Dit terwijl [erfgenaam 1] feitelijk al het werk van de verzorging deed.
€ 65.000,=
Dit is niet door [verzoeker] betwist en blijkt verder onder meer klip en klaar uit de door [verzoeker] zelf als onderdeel van productie 60 in hoger beroep overgelegde brieven van de gemeente [woonplaats] uit 2006. Bij deze brieven, met als onderwerp
“melding Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer,in het bijzonder die van 13 juni 2006, is een schets/tekening gevoegd waaruit blijkt in welke (grote) mate sprake is van opslag van ’
antiek /2e hands goederen”conform het KvK-uittreksel.
[verzoeker] heeft betoogd dat ook anderen (sinds 2017 bijvoorbeeld [erfgenaam 1] ) gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden goederen op te slaan bij erflater, maar gesteld noch gebleken is dat dit in dezelfde mate en gedurende een vergelijkbare (zeer lange) periode is gebeurd als de opslag door [verzoeker] . Bovendien vragen de (drie) erven (over en weer) geen billijke vergoeding en accepteren zij dat het niet altijd mogelijk is alle kinderen op gelijke wijze te behandelen. Kortom er is (wederom) alle reden apart naar dit volgens de (drie) erven door [verzoeker] genoten ‘voordeel’ te kijken.
€ 102.000,=als mee te nemen voordeel op. Bij een geschatte huur van slechts € 250,= per maand is toch sprake van € 51.000,= voordeel.
Dat [verzoeker] besloten heeft – naar eigen zeggen - om de opbrengsten van zijn onderneming gedurende een aantal jaren te besteden aan een ideëel doel als gedreven door zijn vriendin maakt het genoten voordeel in de onderhavige context als zodanig niet kleiner.
De (drie) erven hebben geen concreet voordeel benoemd. Voorkomen moet worden dat een overlap ontstaat met de geschatte bespaarde huurinkomsten vanaf 2016.
€ 96.000,=.
€ 20.300,=hebben geschonken aan [verzoeker] ten tijde van de verdeling van de nalatenschap van moeder in 2010. Dit - aldus heeft het hof begrepen - omdat van ieder van de (drie) erven hun respectieve kind /kinderen een legaat kreeg/kregen van hun oma, en [verzoeker] geen kinderen heeft althans toen had.
.Ook hier is natuurlijk alsdan een gelijk voordeel voor [erfgenaam 1] te ontwaren, maar [erfgenaam 1] maakt geen aanspraak op een billijke vergoeding.
½ x PM.
305.800,=