ECLI:NL:HR:2023:1492

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
22/01565
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in bestuursrechtelijke belastingzaak

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 maart 2022, waarin het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur werden behandeld. De zaak betrof een bestuursrechtelijke kwestie op het gebied van belastingrecht.

De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld, maar oordeelde dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen aanleiding om de uitspraak te motiveren, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bepaald in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad besloot tevens geen proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 27 oktober 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01565
Datum27 oktober 2023
ARREST
in de zaak van
de vennootschap onder firma [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 maart 2022, nr. 20/00722 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/331).

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2023.