ECLI:NL:HR:2023:1568
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt formele rechtskracht van WOZ-beschikkingen ondanks latere erkenning onrechtmatigheid
Belanghebbende, eigenaar van een dijkwoning waarvan de WOZ-waarde voor de jaren 1995 tot en met 2016 onherroepelijk was vastgesteld, verzocht om schadevergoeding wegens te hoge waardering. Na een arrest van de Hoge Raad in 2016 werd de WOZ-waarde voor 2017 aangepast, maar de heffingsambtenaar weigerde correctie voor eerdere jaren omdat het verschil minder dan 20% bedroeg.
Belanghebbende vorderde vervolgens vergoeding van belastingschade over de jaren 2014 tot en met 2016. De Rechtbank kende deze vergoeding toe op basis van erkenning van onrechtmatigheid door de heffingsambtenaar. Het Hof vernietigde dit oordeel en wees de vordering af, stellende dat de WOZ-beschikkingen onherroepelijk zijn en dat erkenning van onrechtmatigheid na afloop van bezwaar- en beroepsmogelijkheden geen uitzondering op formele rechtskracht vormt.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof. Alleen erkenning van onrechtmatigheid vóór het verstrijken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden kan een uitzondering op formele rechtskracht rechtvaardigen. Correspondentie na het verstrijken van deze termijnen kan niet leiden tot een dergelijke uitzondering. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en wijst de vordering af.
De uitspraak benadrukt het belang van formele rechtskracht en de grenzen aan latere erkenning van onrechtmatigheid, waarmee rechtszekerheid wordt gewaarborgd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vordering tot schadevergoeding afgewezen wegens formele rechtskracht van de WOZ-beschikkingen.