Conclusie
1.Overzicht van de zaak en van de conclusie
Het Hofoordeelt daarentegen dat de WOZ-beschikkingen 2014-2016 niet onrechtmatig zijn als bedoeld in art. 8:88 Awb Pro. Het oordeelt daartoe in de kern: (i) aangezien de WOZ-beschikkingen 2014-2016 onherroepelijk vaststaan, moet in beginsel worden aangenomen dat deze beschikkingen rechtmatig zijn; (ii) een uitzondering op dit beginsel van de formele rechtskracht kan aan de orde zijn indien het bestuursorgaan de onrechtmatigheid erkent, maar daarvoor is vereist dat de erkenning plaatsvindt vóór het onherroepelijk worden van de beschikking; (iii) dat laatste is hier niet het geval: de heffingsambtenaar heeft weliswaar erkend dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld voor elk van de jaren 2014-2016, maar op het moment van erkenning staan de WOZ-beschikkingen voor die jaren al onherroepelijk vast.
in cassatiedat de formele rechtskracht ook niet aan hem kan worden tegengeworpen als de onrechtmatigheid is erkend buiten de bezwaar- en beroepstermijn.
kern van de zaakbetreft de
erkenningsuitzonderingop
het beginsel van de formele rechtskracht.In de jurisprudentie is aanvaard dat op dat beginsel een uitzondering wordt gemaakt in het geval dat het bestuursorgaan erkent dat de beschikking onrechtmatig is. De vraag is of vereist is dat de erkenning geschiedt vóór het onherroepelijk worden van de beschikking (
anterieure erkenning). Een bevestigend antwoord zou meebrengen dat – behoudens andere bijkomende omstandigheden – de erkenningsuitzondering niet van toepassing is indien de erkenning geschiedt ná het onherroepelijk worden van de beschikking (
posterieure erkenning). De literatuur is verdeeld over het antwoord op die vraag, alsook over de kwestie of het antwoord al gegeven is in
Maple Tree Holding/Staat. Het te wijzen arrest in deze zaak kan dan ook een betekenis hebben die ruim deze individuele zaak en ook het fiscale terrein overstijgt. Deze zaak kan uitstralingseffecten hebben, niet alleen voor mogelijk vergelijkbare WOZ-gevallen (4.6). Mocht bijvoorbeeld – anders dan waartoe ik concludeer – ook een posterieure erkenning onder de erkenningsuitzondering vallen, dan zou dat mogelijk van betekenis kunnen zijn voor de niet-bezwaarmakers in het box 3-treurspel (vgl. 6.15).
onderdeel 3van deze conclusie komen enige punten aan bod over het geding in cassatie, te weten (a) dat het geschil in cassatie geen betrekking heeft op (schadevergoeding in verband met) de WOZ-beschikkingen 1995-2013, omdat het daarop betrekking hebbende oordeel van het Hof over de onbevoegdheid van de Rechtbank niet is bestreden (3.3); (b) dat de heffingsambtenaar en niet het college het verweerschrift in cassatie heeft ingediend (3.4-3.7); (c) of het verweerschrift ook als een incidenteel beroep in cassatie moet worden begrepen tegen het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar erkent dat de WOZ-beschikkingen 2014-2016 onrechtmatig zijn (3.8-3.12); (d) dat naar mijn mening hoe dan ook uiteindelijk die erkenning verder als uitgangspunt in cassatie heeft te gelden (3.13-3.15).
onderdeel 4geef ik enige achtergrond bij de zaak. Aan de orde komen: (i) de waarderingsuitzondering in de Wet WOZ voor waterverdedigingswerken, de toepassing van welke uitzondering aanleiding is voor deze zaak (4.2-4.7); (ii) de regeling voor vermindering van een vastgestelde WOZ-waarde die onherroepelijk vaststaat, welke regeling meebrengt dat in dit geval geen vermindering heeft plaatsgevonden in verband met een doelmatigheidsdrempel (4.8-4.10); (iii) de wettelijke systematiek van vermindering van belasting bij vermindering van een vastgestelde WOZ-waarde (4.11-4.13); (iv) het rechtskader voor het geval dat belanghebbende was opgekomen tegen de weigering van de heffingsambtenaar om de onherroepelijk vastgestelde WOZ-waarden te verminderen (4.14-4.16).
Maple Tree Holding/Staat(5.25-5.27), waarna literatuur aan bod komt (5.34-5.46). De literatuur is als gezegd verdeeld over de reikwijdte van de erkenningsuitzondering. Dat lijkt ook te gelden voor de andere hoogste bestuursrechters (5.32). Tot slot komt enige wetsgeschiedenis met betrekking tot titel 8.4 Awb aan bod (5.47-5.49).
onderdeel 6geef ik mijn beschouwing. Naar mijn mening moet een geval als het onderhavige, waarin sprake is van alleen een posterieure erkenning, worden onderscheiden van het geval waarin een posterieure erkenning gepaard gaat met een intrekking of herroeping van de beschikking (6.2). Verder moet voor ogen worden gehouden dat er een verschil is tussen een erkenning dat een beschikking inhoudelijk gezien onjuist is (materiële erkenning van onrechtmatigheid) en een aanvaarding van aansprakelijkheid (procedurele erkenning van onrechtmatigheid) (6.3). In dit geval gaat het om een materiële erkenning zonder een procedurele erkenning. Ik begrijp
Maple Tree Holding/Staatzo dat daaruit volgt dat het Hof terecht de opvatting hanteert dat een posterieure erkenning niet onder de erkenningsuitzondering op de formele rechtskracht valt (6.4). Aan de door belanghebbende ingeroepen arresten
Sint Oedenrode/Van Aarleen
Bedrijfsvereniging/Heijboerkan niet worden ontleend dat die opvatting onjuist is (6.5). Verder zet ik uiteen waarom die opvatting ook het best past in het leerstuk van de formele rechtskracht zoals de Hoge Raad dat heeft ontwikkeld (6.7-6.14). Een andere opvatting zou voor een geval als dit bovendien wringen uit oogpunt van rechtssystematiek en rechtseenheid (6.15-6.16). Er is geen aanleiding om voor de toepassing van art. 8:88 Awb Pro anders te oordelen over het beginsel van de formele rechtskracht (6.17).
onderdeel 7ertoe dat die klacht faalt. Naar mijn mening is het cassatieberoep dus
ongegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie en de omvang daarvan
Geding in cassatie
Sint Oedenrode/Van Aarle [4] en
Bedrijfsvereniging/Heijboer [5] . Daaruit volgt volgens hem dat de formele rechtskracht van een besluit ook niet wordt tegengeworpen als de onrechtmatigheid is erkend buiten de bezwaar- en beroepstermijn.
nietmede wordt opgevat als een (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie, dan zou het college de mogelijkheid om te reageren op deze conclusie nog kunnen benutten om dat kenbaar te maken. Ik attendeer op die mogelijkheid om twee redenen. Ten eerste, het zou de Hoge Raad het nemen van een beslissing besparen. Ten tweede, het is goed om te weten wat het college beoogt, want het wél mede opvatten van het verweerschrift als een incidenteel beroep in cassatie kan gevolgen hebben voor de hoogte van een eventuele proceskostenveroordeling.
4.Enige achtergrond
nietminstens 20% lager had behoren te zijn vastgesteld. Die WOZ-waarde had hoogstens 10,9% (2014 en 2016) dan wel 11,0% (2015) lager behoren te zijn, zo leid ik af uit de tabel die de heffingsambtenaar heeft opgenomen in zijn brief van 6 augustus 2018 aan belanghebbende en die het Hof (rov. 2.5) heeft geciteerd.
Container Company Amsterdam/Ontvangerbetreffende een weigering van de ontvanger om in rekening gebrachte kosten ambtshalve te verminderen, overweegt de Hoge Raad:
5.De uitzondering op formele rechtskracht voor erkenning van onrechtmatigheid
Het toepassingsbereik van titel 8.4 Awb
geentoepassing vindt op een schadeveroorzakend besluit dat is bekendgemaakt
voorhet inwerkingtredingstijdstip van deze wet voor dat besluit. [32] Aangezien het Hof (rov. 4.6) – in cassatie niet bestreden – heeft vastgesteld dat elk van de WOZ-beschikkingen 2014-2016 is bekendgemaakt na 1 juli 2013, valt het verzoek van belanghebbende voor zover het ziet op deze beschikkingen onder het temporele toepassingsbereik van art. 8:88 Awb Pro.
forumshopping). Een ander deelbelang is de rechtseenheid. Doordat primair de bestuursrechter beslist over de rechtmatigheid van een beschikking, voorkomt zo’n taakverdeling dat subsidiair de burgerlijke rechter hierover alsnog – of mogelijk zelfs anders – beslist (het zogeheten concordantiebeginsel). Anders zouden uiteenlopende beslissingen over wezenlijk dezelfde vragen kunnen ontstaan. [45] Een laatste deelbelang is een efficiënte rechtsbedeling. Het is niet doelmatig wanneer de ene rechter moet beslissen over vragen voor de beantwoording waarvan niet hij maar een andere rechter de meest gerede rechter is (het zogeheten specialisatiebeginsel).
Vulhop/Amsterdambetreffende watertoeristenbelasting. In dat arrest was aan de orde dat de belastingkamer van de Hoge Raad (in een ander arrest ten aanzien van een andere belanghebbende) de desbetreffende belastingverordening onverbindend oordeelde en dat Vulhop vervolgens langs civielrechtelijke weg teruggaaf wilde van de door hem op grond van die verordening voldane belasting. Vulhop ving bot. De omstandigheid dat de belastingverordening onverbindend is geoordeeld in een andere procedure, brengt niet mee dat de rechtmatigheidsfictie niet van toepassing is en vormt evenmin een bijzondere omstandigheid die een uitzondering op de formele rechtskracht rechtvaardigt. [53] Dit een en ander betekent voor het voorliggende geval dat ook als ervan wordt uitgegaan dat de WOZ-beschikkingen 2014-2016 zouden zijn gewijzigd als zij zouden zijn bestreden in (hoger) beroep op het punt van de waarderingsuitzondering voor waterverdedigingswerken, deze enkele omstandigheid onvoldoende is om de formele rechtskracht van die beschikkingen ter zijde te stellen.
Heesch/Van de Akker [57] heeft ontwikkeld en sindsdien hanteert. De Hoge Raad omschrijft eerst het beginsel van de formele rechtskracht en overweegt vervolgens:
Sint Oedenrode/Van Aarle. [60] De passage die de memorie van toelichting citeert uit dat arrest, wordt in het arrest voorafgegaan door de omschrijving van het beginsel van de formele rechtskracht, het aanhalen van de in
Heesch/Van de Akkergeformuleerde mogelijkheid van een uitzondering daarop, en het noemen van – kort gezegd – het geval van een erkende onrechtmatigheid als voorbeeld van zo’n uitzondering. Ik citeer de overwegingen van de Hoge Raad wat betreft deze twee laatste aspecten omdat ik daarop nog terugkom in 5.23: [61]
Sint Oedenrode/Van Aarlemaakt goed duidelijk waarom een uitzondering voor een erkend onrechtmatige beschikking geboden is. Zonder die uitzondering zou het bestuursorgaan namelijk een belanghebbende de formele rechtskracht kunnen tegenwerpen, ook wanneer de belanghebbende heeft begrepen en mocht begrijpen dat de onrechtmatigheid niet (langer) in geschil was en hij juist daarom bezwaar en beroep tegen de beschikking niet heeft voortgezet. Van Aarle trok het beroep tegen de afwijzing van het bezwaar tegen een weigering van een bestemmingswijziging in nadat de gemeente Sint Oedenrode hem had laten weten alsnog akkoord te gaan met de wijziging. De mogelijke koper van het pand waarvoor de bestemmingswijziging was gevraagd, trok zich echter terug. Toen Van Aarle verzocht om een verklaring van recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de verzochte wijziging te weigeren, alsmede om schadevergoeding, beriep de gemeente zich op de formele rechtskracht van de afwijzing, die onherroepelijk was geworden als gevolg van de intrekking van het beroep. De burgerlijke rechter aanvaardde echter een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht omdat de gemeente de onrechtmatigheid had erkend. In een deel van de literatuur wordt verondersteld dat de reden voor de uitzondering voor het geval van erkenning van onrechtmatigheid erin gelegen is dat verschoonbaar c.q niet-verwijtbaar is dat een belanghebbende niet (langer) opkomt tegen een beschikking als de onrechtmatigheid daarvan is erkend. [62]
Sint Oedenrode/Van Aarle. [67] Naar mijn mening beantwoordt dit in 5.16-5.17 behandelde arrest niet de vraag of voor een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht het ertoe doet op welk moment het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van een beschikking erkent. In het geval dat heeft geleid tot dit arrest, is de onrechtmatigheid erkend hangende het beroep tegen de beschikking. Hieruit volgt in elk geval dat een erkenning die plaatsvindt vóór het onherroepelijk worden van de beschikking (hierna: anterieure erkenning), de formele rechtskracht daarvan opzij zet. [68] Maar daaruit volgt nog niet dat hetzelfde geldt als erkenning plaatsvindt eerst nadat de beschikking onherroepelijk is geworden (hierna: posterieure erkenning).
Sint Oedenrode/Van Aarlede uitzondering in het algemeen, dus zonder beperking tot een anterieure erkenning is geformuleerd (zie 5.16: “Van zodanige uitzondering kan met name sprake zijn wanneer de burger en het overheidslichaam het erover eens zijn dat de door het overheidslichaam genomen beschikking onrechtmatig was.”) Ik meen echter dat dit niet doorslaggevend is, gelet op de context van de zaak. In de zaak ging het namelijk juist om uitlatingen die zijn gedaan vóór het onherroepelijk worden van de beschikking. Het geschil in cassatie was daarop ook gericht. Het cassatiemiddel richtte zich – voor zover mij kenbaar op basis van publicatie in NJ – met een rechtsklacht en motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat, kort gezegd, die anterieure uitlatingen voldoende waren om een uitzondering op de formele rechtskracht aan te nemen. Ik wijs in verband met de context ook op de voorafgaande conclusie van A-G Koopmans. De A-G verwijst – zie onderdeel 1 van zijn conclusie – voor de erkenningsuitzondering naar
Hot Air /Staat, [69] en plaatst – zie onderdeel 5 van zijn conclusie – deze uitzondering tegenover het uit dat arrest afgeleide uitgangspunt dat een burger de administratiefrechtelijke rechtsgang moet
voortzettenom – kort gezegd – te voorkomen dat de formele rechtskracht hem niet worden tegengeworpen in de civiele procedure. Hieruit begrijp ik dat de A-G bij de erkenningsuitzondering het geval voor ogen heeft dat de administratiefrechtelijke rechtsgang nog openstaat. Ik citeer: [70]
Bedrijfsvereniging/Heijboer [71] . Dit arrest gaat niet over een anterieure of posterieure erkenning, maar over een posterieure intrekking. De bedrijfsvereniging besliste eerst dat Heijboer arbeidsongeschikt was voor 15% tot 25% en vervolgens dat hij dit was voor 25% tot 35%. Bij de tweede beslissing trok zij de eerste beslissing in met de mededeling dat de eerste onjuist was. Heijboer verzocht om schadevergoeding, maar de bedrijfsvereniging meende dat de eerste beslissing formele rechtskracht hield. De Hoge Raad beslist dat de eerste beslissing na intrekking niet langer formele rechtskracht heeft:
Bedrijfsvereniging/Heijboerniet concludent wat betreft de kwestie of het ertoe doet op welk moment de onrechtmatigheid van een beschikking wordt erkend. Een intrekking gaat juridisch verder dan een erkenning van onrechtmatigheid. Een intrekking betekent dat de desbetreffende beslissing geen formele rechtskracht meer heeft. [72] Dan wordt niet toegekomen aan de vraag of een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht moet worden gemaakt. [73] Een intrekking betekent overigens nog niet dat daarmee de onrechtmatigheid vaststaat, maar in het geval van
Bedrijfsvereniging/Heijboerkomt daar bij dat de intrekking gepaard is gegaan met een mededeling over de onjuistheid. Vergelijk ook de algemene overweging in
Hamm/Staatdie hierna in 5.31 wordt besproken.
Maple Tree Holding/Staat [74] . Ik wend mij dus tot dit arrest. Maple Tree exploiteerde kansspelautomaten en voldeed ter zake daarvan omzetbelasting op aangifte. Zij berekende de maatstaf van heffing in overeenstemming met een resolutie van de staatssecretaris van Financiën. Vervolgens bleek uit een arrest van het Hof van Justitie dat de resolutie niet verenigbaar was met (destijds) de Zesde richtlijn. De staatssecretaris trok daarop de resolutie in en nam een ander beleidsbesluit, dat gunstiger was voor Maple Tree. Zij zocht teruggaaf van de te veel op aangifte voldane omzetbelasting, eerst tevergeefs via bezwaar en beroep tegen de voldoeningen op aangifte en daarna via een vordering tot vergoeding van schade. In de civiele procedure strandde die vordering bij het hof op de formele rechtskracht van de voldoeningen. In cassatie betoogde Maple Tree dat met het intrekken van de resolutie en het nemen van een ander beleidsbesluit was erkend dat de heffingen onrechtmatig zijn. Naar het oordeel van de Hoge Raad faalt dit betoog:
Maple Tree Holding/Staater niet zelf over uit of het is vereist dat erkenning plaatsvindt vóór het onherroepelijk worden van de beschikking. Immers, de daarop betrekking hebbende overweging van het hof wordt in cassatie niet bestreden. Dat is mogelijk de gedachtegang van degenen die de opvatting hebben dat uit
Maple Tree Holding/Staatniet (met zekerheid) kan worden afgeleid dat een uitzondering op de formele rechtskracht alleen aan de orde is bij een anterieure erkenning (zie 5.34 e.v. hierna voor enigen met die opvatting; de bedoelde gedachtegang komt terug bij Fruytier (5.41) en Van Ballegooijen (5.43)).
Maple Tree Holding/Staatdat wél is vereist dat erkenning plaatsvindt vóór het onherroepelijk worden van de beschikking.
oordeelvan de Hoge Raad betreft over dat zelfstandig kunnen dragen. Men kan echter tegenwerpen dat de ‘eigen’ overweging van de Hoge Raad ook zo kan worden begrepen dat zij geen eigen oordeel inhoudt maar een loutere vaststelling door de Hoge Raad dat in de redenering van het hof de meer bedoelde overweging zijn beslissing zelfstandig draagt. Hoewel dit niet kan worden uitgesloten, ook niet in het licht van wat de conclusie van A-G Verkade vermeldt, [75] lijkt me deze lezing echter niet voor de hand te liggen. Anders had het in de rede gelegen dat de Hoge Raad ook had overwogen dat niet bestreden is ’s hofs uitgangspunt over het zelfstandig dragen.
Hamm/Staat, [76] dat is gewezen na
Maple Tree Holding/Staat. Hamm was de curator van een gefailleerde douane-expediteur, die kwijtschelding zocht voor invoerrechten, omzetbelasting en accijns ter zake van sigarettenfraude. In het belang van de opsporing verhinderde de Staat de fraude niet. Aanvankelijk werd het verzoek om kwijtschelding afgewezen, kort gezegd omdat de Europese Commissie niet instemde met kwijtschelding van de invoerrechten. Dit bleek ten onrechte nadat het Hof van Justitie besliste dat grond bestaat voor kwijtschelding als de douaneautoriteiten een douane-expediteur te goeder trouw niet waarschuwen voor fraude, met name als zij de fraude niet verhinderen in het belang van de opsporing. Daarna stemde de Commissie alsnog in met kwijtschelding van de invoerrechten. Naast de invoerrechten werden ook de accijns en omzetbelasting kwijtgescholden. De curator vorderde een verklaring voor recht dat de Staat ten onrechte had geheven en baseerde dit op de posterieure kwijtschelding. De Hoge Raad overweegt:
Hamm/Staaten (mijn lezing van)
Maple Tree Holding/Staat.
Hamm/Staatgaat niet over de vraag die mijns inziens in
Maple Tree Holding/Staatimpliciet is beslist, en wel de vraag of het beginsel van formele rechtskracht uitzondering lijdt bij een posterieure erkenning. Weliswaar gaat
Hamm/Staatover een posterieure kwijtschelding, maar het arrest verstaat de oordelen van het hof aldus dat – kort gezegd – de kwijtschelding niet een mededeling of erkenning van onterechte heffing inhoudt. Het arrest laat daarom in het midden of het moment van de kwijtschelding nog ertoe doet. In zeker opzicht zijn beide arresten elkaars spiegelbeeld: in
Hamm/Staatwordt vergeefs bestreden dat er niet is erkend zodat in het midden kan blijven of tijdig is erkend, terwijl in
Maple Tree Holding/Staatniet is bestreden dat te laat is erkend zodat in het midden kan blijven of er wel is erkend.
Hamm/Staatvragen kan oproepen omdat daarin wordt gesproken over ‘anderszins erkent dat een besluit onrechtmatig is’ zonder onderscheid te maken tussen een posterieure en anterieure erkenning. Het gaat mij echter te ver om hieraan de conclusie te verbinden dat een posterieure erkenning als zodanig (los van een intrekking of herroeping) de rechtsmatigheidsfictie doorbreekt. Die conclusie kan namelijk niet direct worden afgeleid uit de genoemde arresten NJ 1997/163 en NJ 1993/642, zijnde de hiervoor besproken arresten
Bedrijfsvereniging/Heijboer(5.24) en
Sint Oedenrode/Van Aarle(5.23). Belangrijker is nog dat de betekenis van de tussenzin anders is dan op het eerste gezicht wellicht toeschijnt. Gelet op de zinsopbouw lijkt “anderszins erkent dat een besluit onrechtmatig is” op het eerste gezicht een geval te zijn dat op één lijn kan worden gesteld met “een besluit intrekt of herroept”. Dat zou steun bieden voor de opvatting dat voor een erkenning hetzelfde geldt als voor een intrekking of herroeping. Het komt mij echter voor dat de in de tussenzin bedoelde erkenning op een lijn kan worden gesteld met “de mededeling dat [de intrekking of de herroeping; MP] geschiedt omdat het besluit onjuist is”. Dat volgt namelijk uit de daaropvolgende zin (“Indien een zodanige mededeling of erkenning niet is gedaan, (…)”). Zo begrepen gaat het dus niet om
seceen erkenning, maar om een erkenning in combinatie met een intrekking of een herroeping, met andere woorden om een
Bedrijfsvereniging/Heijboer-achtige situatie.
Maple Tree Holding/Staat. [78] Het CBb is daarentegen van oordeel dat het niet ertoe doet op welk moment erkenning plaatsvindt. [79] Ook de CRvB lijkt uit te gaan van die opvatting. [80]
criminal chargesniet inzie dat het bestuursorgaan de onjuistheid van zijn strafoplegging binnen de rechtsmiddeltermijn zou moeten hebben erkend om de bestuursrechter een uitzondering op de onherroepelijkheid van die – immers door de bestraffer als onjuist erkende - bestraffing te laten aannemen. Ik zie ook niet in waarom het bestuursorgaan niet zelf al tot vermindering of herroeping zou overgaan als hij zijn strafoplegging onterecht acht. Als vast staat dat de boete onterecht is, hoeft geen onderzoek gedaan te worden. Ik laat in het midden welk gevolg uitdrukkelijke erkenning van onjuistheid bij niet-punitieve beschikkingen moet hebben; die vraag is in discussie. Met name als (veel) derdenbelangen bij de als onjuist erkende beschikking betrokken zijn, kan men veel genuanceerder over de gevolgen van die erkenning denken dan bij onterechte
criminal chargesbij handhaving waarvan geen rechtens te respecteren derdenbelangen betrokken zijn.”
Maple Tree Holding/Staatis beslist dat een posterieure erkenning de rechtmatigheidsfictie onverlet laat. Hierna volgt een bloemlezing, die niet uitputtend is en die bedoeld is om een overzicht te bieden van verscheidene opvattingen en argumenten.
Maple Tree Holding/Staatniet heeft beslist dat alleen bij een anterieure erkenning een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht wordt gemaakt: [83]
Maple Tree Holding/Staat: [84]
Maple Tree Holding/Staatnoemen: [85]
Hamm/Staaterbij. De auteur schrijft: [86]
Hamm/Staatwat onzuiver weergeeft waar het gaat om de passage “ongeacht of (…)”. Wat in die passage staat, is geen overweging van de Hoge Raad, maar denkelijk een weergave van wat de auteur uit het arrest afleidt.
Maple Tree Holding/Staatniet de vraag heeft beantwoord of een erkenning van onrechtmatigheid moet hebben plaatsgevonden vóór het onherroepelijk worden van de beschikking: [87]
Maple Tree Holding/Staataf dat een posterieure erkenning niet leidt tot een uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht. Hij maakt verder onderscheid tussen enerzijds de erkenning van een onjuistheid en anderzijds een (onverplichte) aanvaarding van aansprakelijkheid: [88]
Maple Tree Holding/Staatkan worden afgeleid dat een anterieure erkenning vereist is. De auteur betoogt niettemin dat indien de kwestie wordt bezien vanuit het vertrouwensbeginsel en art. 6 EVRM Pro, wel het een en ander valt te zeggen voor het standpunt dat de erkenningsuitzondering niet opgaat bij een posterieure erkenning: [89]
Maple Tree Holding/Staatniet concludent, meent dat een posterieure erkenning tot hetzelfde resultaat leidt als een anterieure erkenning, en ziet – anders dan Van Ettekoven – geen aanleiding om onderscheid te maken tussen erkenning van onrechtmatigheid en erkenning van aansprakelijkheid: [92]
Maple Tree/Staatzo begrijpt dat de Hoge Raad niet aan de kwestie toe kwam. [94]
Maple Tree Holding/Staatdat de uitzondering vereist dat erkenning plaatsvindt voor het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep: [95]
Sint Oedenrode/Van Aarle,dat juist een geval van anterieure erkenning betreft (5.23). Daar staat weer tegenover dat
Sint Oedenrode/Van Aarleeen algemene rechtsoverweging bevat over erkenning van onrechtmatigheid, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naar het moment van erkenning. Ik meen weliswaar dat die overweging in de context van die zaak moet worden gelezen (zie 5.23), maar geenszins kan worden uitgesloten dat de memorie van toelichting van een andere, ruimere lezing uitgaat. Tot slot is terughoudendheid geboden met het verbinden van conclusies aan de omstandigheid dat de memorie van toelichting geen onderscheid maakt naar het moment van erkenning. De memorie van toelichting maakt namelijk geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds het gevalstype waarin sprake is van alleen een erkenning van onrechtmatigheid en anderzijds het gevalstype waarin sprake is van zo’n erkenning die gepaard gaat met een intrekking of herroeping van het desbetreffende besluit, [99] terwijl dat volgens mij twee te onderscheiden gevalstypen zijn (zie 6.2 hierna).
6.Beschouwing over anterieure en posterieure erkenning
niettevens sprake is van een intrekking of herroeping van de desbetreffende beschikking. Zo’n geval moet namelijk worden onderscheiden van het geval van erkenning van onrechtmatigheid die
welgepaard gaat met een intrekking of herroeping (vgl. 5.24).
Maple Tree Holding/Staat. Ik begrijp het arrest net zo zoals het Hof doet, namelijk dat daarin is beslist dat de erkenningsuitzondering op het beginsel van formele rechtskracht alleen aan de orde is bij een anterieure erkenning. Voor de motivering verwijs ik naar 5.27-5.28. Er zijn auteurs die
Maple Tree Holding/Staatook zo begrijpen (5.40; 5.45). Maar ik moet ook constateren dat velen de opvatting hebben dat het arrest niet concludent is op dit punt (5.35-5.39; 5.41; 5.43; 5.44), waarbij overigens lastig is dat niet steeds een motivering voor die opvatting wordt gegeven. Gelet hierop zal ik in deze beschouwing niet volstaan met alleen een verwijzing naar
Maple Tree Holding/Staat.
Sint Oedenrode/Van Aarleen
Bedrijfsvereniging/Heijboer. Naar mijn mening valt uit beide arresten niet af te leiden dat een posterieure erkenning onder de erkenningsuitzondering valt. Wat betreft
Sint Oedenrode/Van Aarle –waarin een anterieure erkenning aan de orde is – verwijs ik naar 5.23. Wat betreft
Bedrijfsvereniging/Heijboer– dat gaat over een intrekking van een beslissing onder de mededeling van de onjuistheid ervan – verwijs ik naar 5.24.
Hamm/Staateen argument te worden ontleend ten faveure van de opvatting dat het er niet toe doet wanneer de erkenning heeft plaatsgevonden, posterieur of anterieur (5.38). Om de redenen uiteengezet in 5.29-5.31, kan naar mening niet op dit arrest worden gebaseerd dat een posterieure erkenning als zodanig, dus los van een intrekking of herroeping, de rechtsmatigheidsfictie doorbreekt.
Maple Tree Holding/Staatvolgt dat juist is de opvatting dat op het beginsel van formele rechtskracht geen uitzondering wordt gemaakt voor een posterieure erkenning, meen ik dat die opvatting het best past in het leerstuk van de formele rechtskracht zoals de Hoge Raad dat ontwikkeld heeft.
anterieureerkenning is de bijkomende omstandigheid niet erin gelegen dat het is komen vast te staan dat de beschikking onrechtmatig is. De bijkomende omstandigheid is dat een belanghebbende bezwaar of beroep tegen de beschikking heeft verzuimd of gestaakt juist nadat belanghebbende van het bestuursorgaan begreep en mocht begrijpen dat de onrechtmatigheid niet langer in geschil was. Als een belanghebbende begreep en mocht begrijpen dat de onrechtmatigheid niet langer in geschil is, kan van hem niet worden gevergd dat hij desondanks een bestuursrechtelijk rechtsmiddel aanwendt (of voortzet). De proceseconomie zou daarmee overigens ook niet gediend zijn. In zo’n geval van een anterieure erkenning zou het klemmend zijn om vervolgens de rechtmatigheidsfictie tegen te werpen aan belanghebbende. In het geval van een anterieure erkenning is dus meer aan de hand dan alleen het feit dat de onrechtmatigheid erkend is. Eerder heb ik gesproken over ‘verschoonbaar’ niet gebruik maken van de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen (5.17). In de literatuur wordt dit geval ook wel geplaatst in het kader van het vertrouwensbeginsel en art. 6 EVRM Pro (Fruytier in 5.41 en vgl. Schlössels e.a. in 5.46).
posterieureerkenning ontbreekt daarentegen dezelfde bijkomende omstandigheid. Hierbij heeft een belanghebbende bezwaar of beroep tegen de beschikking verzuimd of gestaakt reeds voordat de belanghebbende begreep en mocht begrijpen dat de onrechtmatigheid is erkend. Dan staat het verzuimen of staken van bezwaar of beroep los van de nadien optredende omstandigheid dat het bestuursorgaan alsnog erkent dat de beschikking onrechtmatig is. Dan kan een belanghebbende wel worden tegengeworpen dat de bestuursrechtelijke procedure niet is gestart of doorgezet. De omstandigheid dat nadien de onrechtmatigheid is erkend, is uiteraard geen omstandigheid die kan maken dat eerder van een belanghebbende niet kon worden gevergd dat bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend. [102]
Maple Tree Holding/Staatlaat bovendien zien dat het in zeker opzicht zou wringen vanuit het oogpunt van rechtssystematiek en rechtseenheid, indien een posterieure erkenning de formele rechtskracht opzij zou zetten. Dat zou met name wringen in gevallen – zoals dat van
Maple Tree Holding/Staat– waarin de vordering tot schadevergoeding materieel neerkomt op een vordering tot terugbetaling van een bedrag dat bestuursrechtelijk onherroepelijk vaststaat. Ten eerste, alsdan zou langs de weg van schadevergoeding teruggaaf van belastingen kunnen worden verkregen, terwijl een teruggaaf via de band van de geëigende fiscaal-bestuursrechtelijke rechtsgang niet meer mogelijk is omdat tegen die heffing niet tijdig (of niet langer) rechtsmiddelen zijn aangewend. Onder bijzondere omstandigheden zou dit gerechtvaardigd kunnen worden. Denk aan het in 5.20 vermelde geval van wetgeving met terugwerkende kracht. Een posterieure erkenning is niet in het algemeen zo’n bijzondere omstandigheid. Het komt immers vaker voor dat achteraf bezien een heffing niet juist is geweest. Dat kan te maken hebben met ontwikkelingen in de jurisprudentie maar kan ook andere redenen hebben. Aanvaarding van een posterieure erkenning in het algemeen als uitzonderingsgrond zou materieel afdoen aan de functie van de bestuursrechtelijke rechtsmiddeltermijnen, met name het definitief vaststellen van een bestuursrechtelijke rechtspositie (rechtszekerheid). Vergelijk ook 5.11 over het door de rechtmatigheidsfictie gediende belang van rechtszekerheid en het verband tussen dat belang en de bestuursrechtelijke rechtsmiddeltermijnen.
nietvoortvloeit uit jurisprudentie die pas is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, en de Minister van Financiën ook niet anders heeft bepaald.
Maple Tree Holding/Staat.Weliswaar zijn de gesteld onrechtmatige besluiten in dit geval de WOZ-beschikkingen en niet de belastingaanslagen als zodanig, maar de gevraagde schadevergoeding heeft betrekking op belastingen die verband houden met de WOZ-beschikkingen én (zie 4.11-4.14) de wettelijke systematiek brengt mee dat langs bestuursrechtelijke weg alleen via wijziging van de WOZ-beschikkingen teruggaaf van die belastingen had kunnen worden verkregen. De twee hiervoor in 6.15 genoemde bezwaren vanuit het oogpunt van rechtssystematiek en rechtseenheid gelden daarom evenzeer voor een geval als dit. Met betrekking tot het tweede genoemde bezwaar breng ik in herinnering dat voor WOZ-beschikkingen art. 2 Uitvoeringsbesluit Pro een regeling bevat voor vermindering een (te hoog) vastgestelde WOZ-waarde die onherroepelijk vaststaat (4.8). Aanvaarding dat een posterieure erkenning de formele rechtskracht van een onherroepelijke WOZ-beschikking doorbreekt, zou betekenen dat materieel voorbijgegaan wordt aan de doelmatigheidsdrempel die art. 2 Uitvoeringsbesluit Pro kent. Dat was in wezen precies het resultaat waartoe de uitspraak van de Rechtbank leidde: materieel gezien een teruggaaf van belastingen (zij het in de vorm van een schadevergoeding, en zij het door een ander dan de belastingheffende instantie), hoewel de doelmatigheidsdrempel niet is overschreden.
7.Beoordeling van de klacht
Maple Tree Holding/Staat(6.4). Zo de juistheid van het oordeel niet kan worden afgeleid uit dat arrest, acht ik het oordeel juist omdat de bedoelde erkenning ná het onherroepelijk worden van de WOZ-beschikking op zichzelf geen bijkomende omstandigheid is waardoor de bezwaren tegen het beginsel van de formele rechtskracht zo klemmend worden dat een uitzondering op dat beginsel moet worden aanvaard (vgl. 6.7-6.14). Aan de door belanghebbende arresten ingeroepen arresten
Sint Oedenrode/Van Aarleen
Bedrijfsvereniging/Heijboerkan niet worden ontleend dat het oordeel van het Hof onjuist is (6.5). Verder is er geen aanleiding om voor de toepassing van art. 8:88 Awb Pro anders te oordelen over het beginsel van de formele rechtskracht (6.17). De klacht faalt daarom.