ECLI:NL:HR:2023:1570
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid boeterente bij vervroegde aflossing eigenwoningschuld
Belanghebbende had in 2016 een lening vervroegd afgelost en betaalde daarbij een boeterente aan zijn BV. De Inspecteur weigerde deze boeterente in aftrek te nemen op de inkomstenbelasting. Het Hof oordeelde dat de boeterente moest worden aangemerkt als vooruitbetaalde rente en daarom niet direct aftrekbaar was, maar gespreid over de looptijd van de lening.
De Hoge Raad stelt dat het enkele motief van belanghebbende om fiscaal voordeel te behalen niet leidt tot kwalificatie van de boeterente als vooruitbetaalde rente. Boeterente is volgens de Hoge Raad aftrekbaar als kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld. Het hof heeft dit ten onrechte miskend.
Het primaire standpunt van belanghebbende dat de boeterente direct aftrekbaar is, wordt echter niet door de Hoge Raad overgenomen omdat het hof terecht oordeelde dat in 2016 geen sprake was van aflossing van de eigenwoningschuld. Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel over het subsidiaire standpunt dat de boeterente als vooruitbetaalde rente moet worden gezien.
De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor een hernieuwde beoordeling, waarbij moet worden vastgesteld of sprake is van een herfinanciering en of de boeterente zakelijk is, zodat deze in 2016 aftrekbaar kan zijn. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde beoordeling.