Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
De Rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Uit rechtsoverweging 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821 (hierna: het arrest van 1 mei 2020), heeft het Hof afgeleid dat voor de gelijksoortigheid van personenauto’s de datum van inschrijving in het Nederlandse kentekenregister zonder tenaamstelling (de zogenoemde preregistratie) geen onderscheidend kenmerk is. Hiervan uitgaande heeft het Hof vastgesteld dat de hiervoor in 2.2 bedoelde acht personenauto’s voor de toepassing van artikel 110 VWEU Pro vergelijkbaar zijn met de drie personenauto’s, dat deze acht personenauto’s in 2017 in het Nederlandse kentekenregister zijn ingeschreven en binnen de eerste twee maanden van 2018 te naam zijn gesteld, en dat ter zake van deze acht personenauto’s de verschuldigde bpm met toepassing van artikel 16a van de Wet is berekend naar het voor 2017 geldende tarief. Dit een en ander kan, aldus het Hof, tot geen andere conclusie leiden dan dat ook belanghebbende ter zake van de drie personenauto’s het tarief van 2017 mag toepassen. Het Hof heeft daarom de naheffingsaanslagen vernietigd.
3.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro wel kan meebrengen dat met betrekking tot een in een andere lidstaat aangekochte nieuwe personenauto niet onverkort kan worden vastgehouden aan de voorwaarden van artikel 16a, lid 1, van de Wet. Dat doet zich met name voor wanneer het gaat om een nieuwe personenauto die in het kentekenregister van een andere lidstaat is ingeschreven vóór de inwerkingtreding van een tariefverhoging van de bpm, en die na overbrenging naar Nederland binnen twee maanden na die inwerkingtreding wordt ingeschreven en te naam wordt gesteld in het Nederlandse kentekenregister.In dat geval moet de registratie in het kentekenregister van een andere lidstaat voor de toepassing van artikel 16a, lid 1, van de Wet op één lijn worden gesteld met de registratie in het Nederlandse kentekenregister, en moet de tegemoetkoming van dat artikel op gelijke voet worden toegepast. [3]
Hiervan uitgaande en gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 en 3.3.5 is overwogen, kan belanghebbende niet met een beroep op artikel 110 VWEU Pro aanspraak maken op toepassing van het in 2017 geldende tarief van de bpm. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is daarom ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.