Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 december 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De zaak betreft medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen door een rechtspersoon, zoals omschreven in de artikelen 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b van het Wetboek van Strafrecht.
De verdachte, gevestigd te een vestigingsplaats, had beroep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2022. Namens de verdachte werd een cassatiemiddel voorgesteld door advocaat W. de Vries. De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad heeft de klachten van het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren, omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betrof, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Hiermee is het arrest van het gerechtshof Amsterdam gehandhaafd en het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, tijdens een openbare terechtzitting op 5 december 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.