ECLI:NL:HR:2023:1619

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
22/00250
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 420ter.1 SrArt. 420bis.1.a SrArt. 420bis.1.b Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak medeplegen gewoontewitwassen door rechtspersoon

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De zaak betreft medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen door een rechtspersoon, zoals omschreven in de artikelen 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte, gevestigd te een vestigingsplaats, had beroep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2022. Namens de verdachte werd een cassatiemiddel voorgesteld door advocaat W. de Vries. De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk reageerde.

De Hoge Raad heeft de klachten van het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren, omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betrof, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Hiermee is het arrest van het gerechtshof Amsterdam gehandhaafd en het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, tijdens een openbare terechtzitting op 5 december 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00250
Datum5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2022, nummer 23-000526-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. de Vries, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 december 2023.