ECLI:NL:HR:2023:1651

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
24 november 2023
Zaaknummer
22/00309
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 5.2 Wet ROArt. 6.2 Wet ROArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens medeplichtigheid en medeplegen hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld voor medeplichtigheid en medeplegen van hennepteelt, in strijd met artikel 3.B van de Opiumwet. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, maar de Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Tijdens de procedure werd ook een onvolkomenheid vastgesteld bij de beëdiging van één of meer raadsheren van het hof ’s-Hertogenbosch en de advocaat-generaal die bij de behandeling in hoger beroep betrokken was. Desondanks heeft dit de Hoge Raad niet doen besluiten tot vernietiging van het arrest. De conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal was om het beroep te verwerpen.

Het arrest van de Hoge Raad werd op 5 december 2023 gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren Buruma en Dalebout. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplichtigheid en medeplegen van hennepteelt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00309
Datum5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 januari 2022, nummer 20-003951-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 december 2023.