Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 januari 2022. De zaak betrof mishandeling en de ontvankelijkheid van het verzet tegen een strafbeschikking, waarbij het hof had geoordeeld dat het verzet tijdig en ontvankelijk was ingediend, ondanks dat het verzet mogelijk buiten de termijn was ingediend en ondanks dat verdachte had aangegeven het verzet te willen intrekken.
Daarnaast speelde de vaststelling van de omvang van de immateriële schade van de benadeelde partij, waarbij de Hoge Raad de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie betrok. Namens verdachte en benadeelde partij waren advocaten betrokken die cassatiemiddelen hadden voorgesteld, maar de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest werd op 19 december 2023 gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter, met raadsheren Röttgering en Kooijmans. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Den Haag.