ECLI:NL:PHR:2023:993

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2023
Publicatiedatum
6 november 2023
Zaaknummer
22/00268
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257d SvArt. 257e SvArt. 257f SvArt. 6:106 BWArt. 435 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid verzet en matigt immateriële schadevergoeding bij mishandeling

De verdachte werd door de rechtbank Den Haag veroordeeld wegens mishandeling tot een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel. Het hof bevestigde deze veroordeling, maar mat de toegewezen schadevergoeding aan de benadeelde partij. De verdachte stelde in cassatie dat het verzet tegen de strafbeschikking onontvankelijk was omdat het buiten de termijn was ingediend en omdat hij het verzet had willen intrekken.

De Hoge Raad oordeelt dat het verzet ontvankelijk is verklaard omdat niet is vastgesteld dat de strafbeschikking in persoon was uitgereikt en er geen bewijs is dat de verdachte eerder op de hoogte was. Ook is geen duidelijke en ondubbelzinnige intrekking van het verzet vastgesteld, ondanks dat de verdachte dit voorafgaand aan de zitting had willen doen. De Hoge Raad benadrukt dat intrekking alleen rechtsgeldig is bij een ondubbelzinnige verklaring en correcte procedure.

Daarnaast werd het middel van de benadeelde partij verworpen dat het hof ten onrechte een lagere immateriële schadevergoeding had toegekend. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de schadevergoeding naar billijkheid en met inachtneming van relevante omstandigheden heeft vastgesteld. De cassatieberoepen van verdachte en benadeelde partij worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling en schadevergoeding aan het slachtoffer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00268
Zitting7 november 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 De rechtbank Den Haag heeft de verdachte bij vonnis van 7 oktober 2019 veroordeeld wegens “mishandeling” tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. De rechtbank heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 4.218,50 toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag opgelegd. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 12 januari 2022 het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.251,50 en een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van de bedrag opgelegd.
1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft M.P. de Klerk, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. [1]
De zaak in het kort
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Ten laste van de verdachte is door de officier van justitie wegens mishandeling een strafbeschikking uitgevaardigd houdende een geldboete van € 500,00. De strafbeschikking vermeldt als dagtekening 24 januari 2018. Tegen deze strafbeschikking is namens de verdachte op 8 februari 2018 [2] verzet gedaan. De verdachte is vervolgens opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter van 23 juli 2019. Op die terechtzitting is de verdachte zonder raadsman verschenen. De politierechter heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot 7 oktober 2019. Op de terechtzitting van 7 oktober 2019 is noch de verdachte noch zijn raadsman verschenen. De politierechter heeft de strafbeschikking vernietigd en de verdachte veroordeeld tot de hierboven onder randnummer 1.1. vermelde straf en maatregel. Namens de verdachte is hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter ingesteld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2022 is de verdachte met zijn raadsman verschenen. Het gerechtshof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, met uitzondering van de vordering van de benadeelde partij. De verdachte is daarmee veroordeeld tot een hogere straf en maatregel dan eerder middels strafbeschikking aan hem was opgelegd. In cassatie worden namens de verdachte twee middelen voorgesteld die, zo begrijp ik, beide betrekking hebben op het door het hof bevestigde oordeel van de politierechter dat het (namens de verdachte gedane) verzet tegen de strafbeschikking ontvankelijk is.
Het eerste middel
3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof “in tweede instantie (en de rechtbank in eerste instantie) ten onrechte de verdachte ontvankelijk hebben verklaard in zijn verzet en hoger beroep, aangezien het verzet buiten de termijn is ingediend tegen de strafbeschikking d.d. 24 januari 2018”. Aangevoerd wordt dat de politierechter ten onrechte heeft vastgesteld dat “niet zou zijn gebleken van een datum waarop de strafbeschikking in persoon aan de verdachte zou zijn uitgereikt” en “dat uit de stukken niet een datum zou blijken waarop de strafbeschikking aan de verdachte bekend was geworden”. In dat verband wijst de steller van het middel erop dat uit de strafbeschikking blijkt dat deze op 24 januari 2018 naar het BRP-adres van de verdachte is verzonden.
3.2 De artikelen 257d, art. 257e en art. 257f Sv houden voor zover van belang in:
“Artikel 257d
1. Een afschrift van de strafbeschikking wordt zo veel mogelijk in persoon aan de verdachte uitgereikt. Met een uitreiking in persoon wordt gelijkgesteld de weigering van de verdachte om het afschrift in ontvangst te nemen.
2. Indien uitreiking van het afschrift niet in persoon plaatsvindt, wordt het afschrift toegezonden aan het in de basisregistratie personen vermelde adres van de verdachte dan wel, indien deze niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte. Toezending van het afschrift kan tevens plaatsvinden door een elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, derde lid. Indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een ander adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, wordt tevens een afschrift aan dat adres toegezonden.
(…)
4. Toezending vindt plaats door elektronische overdracht of bij brief. Toezending van strafbeschikkingen houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2000, geschiedt door elektronische overdracht of bij aangetekende brief. Van elke uitreiking of toezending wordt aantekening gehouden op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur bepaald.
(…)
Artikel 257e
1. Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.
(…)
Artikel 257f Sv
(…)
4. Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel 257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.
3.3 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 7 oktober 2019 volgt dat de politierechter het verzet ontvankelijk heeft verklaard en daartoe het volgende heeft overwogen:
“De politierechter meldt dat er op 24 januari 2018 een strafbeschikking is uitgevaardigd en dat hiertegen op 9 februari 2018 verzet is ingesteld. Dit verzet is niet binnen de termijn van twee weken ingesteld. Echter nu uit de stukken niet blijkt van een datum waarop de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt of een datum waarop de strafbeschikking aan de verdachte bekend is geworden, wordt het verzet ontvankelijk verklaard.”
3.4 Het hof heeft zich blijkens het arrest “met het vonnis waarvan beroep [verenigd] met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij”. Daarmee heeft het hof zich ook verenigd met de beslissing van de politierechter over de ontvankelijkheid van het verzet. [3]
3.5 Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Een afschrift van de strafbeschikking is conform art. 257d lid 2 Sv op 24 januari 2018 per (gewone) post naar het BRP-adres van de verdachte verzonden. Het per post toezenden van een afschrift van de strafbeschikking naar het BRP-adres van de verdachte kan niet worden aangemerkt als het “in persoon” uitgereikt krijgen van een afschrift in de zin van art. 257e lid 1 Sv. In het dossier heb ik voorts geen ander stuk aangetroffen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte eerder op de hoogte was van de opgelegde strafbeschikking. Het door het hof bevestigde oordeel van de politierechter dat het verzet ontvankelijk is omdat “uit de stukken niet blijkt van een datum waarop de strafbeschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt of een datum waarop de strafbeschikking aan de verdachte bekend is geworden” acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik neem daarbij in aanmerking dat door of namens de verdachte noch in eerste aanleg noch in hoger beroep is aangevoerd dat het verzet te laat is gedaan en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet, gelet op het voorgaande, niet af, zoals door de steller van het middel nog wordt aangevoerd, dat de verdachte in het verzetschrift “geen stellingen [heeft] geponeerd die een tijdige kennisname van de strafbeschikking betwistte”. Een stelling van de verdachte bij de feitenrechter over het moment waarop hij de strafbeschikking heeft ontvangen, had eventueel wel van belang kunnen zijn, namelijk als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem op een bepaald tijdstip bekend was als bedoeld in art. 257e lid 1 Sv. Daar heeft de verdachte echter niets over gesteld.
3.6 In verband met de klacht dat het hof ten onrechte de verdachte ontvankelijk zou hebben verklaard in zijn hoger beroep, merk ik op dat een nadere toelichting van deze klacht ontbreekt. Ik stel mij om die reden op het standpunt dat die klacht geen bespreking behoeft. [4]
3.7 Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat de verdachte ten onrechte “niet niet-ontvankelijk is verklaard op grond van zijn uitdrukkelijke wens om het hoger beroep in te trekken en het feit dat hij dit voorafgaand middels schrijven aan het OM kenbaar heeft gemaakt alsmede vervolgens in persoon ter terechtzitting d.d. 23 juli 2019 uitdrukkelijk aangegeven heeft”.
4.2 Ik heb mij afgevraagd over welke beslissing van het hof het middel beoogt te klagen. In eerste instantie lijkt het middel te klagen dat het hof ten onrechte het hoger beroep ontvankelijk heeft geacht. In het middel wordt gewezen op de terechtzitting van 23 juli 2019. Dit betreft de terechtzitting in eerste aanleg. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de verdachte aldaar heeft verklaard dat hij tegen zijn advocaat had gezegd “dat hij de boete wilde betalen om alsnog de zaak via de boete af te doen” en dat zijn advocaat “een brief naar justitie [zou] sturen, maar justitie heeft niet op tijd heeft gereageerd”. In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel erop gewezen dat “vastgesteld kan worden dat de verdachte vóór aanvang van de het onderzoek ter terechtzitting bij de Rechtbank door middel van een brief aan het OM de uitdrukkelijke wens kenbaar heeft gemaakt het
hoger beroepin te willen trekken”. En dat de politierechter ten onrechte voorbij is gegaan “aan het punt van de wens van de verdachte om tot intrekking over te gaan, althans het
verzetniet langer te handhaven” (beide cursiveringen toegevoegd; MvW). Ik vat het middel aldus op dat het kennelijk heeft willen klagen dat het hof de verdachte ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzet, omdat de verdachte voorafgaand aan en tijdens de behandeling van zijn zaak bij de politierechter kenbaar had gemaakt zijn verzet in te willen trekken.
4.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter d.d. 23 juli 2019 houdt voor zover van belang in:
“Mijn advocaat is niet aanwezig, ik zou graag willen dat de strafzaak wordt aangehouden. De politierechter meldt mij dat mijn advocaat per brief op 28 juni 2019 is opgeroepen om op de terechtzitting aanwezig te zijn. Ik heb mijn advocaat vijf dagen geleden voor het laatst gesproken. Ik heb hem gezegd dat ik de boete wilde betalen om de zaak alsnog via de boete af te doen. Mijn advocaat zou een brief naar justitie sturen, maar justitie heeft niet op tijd gereageerd. De communicatie tussen mij en mijn advocaat is niet zo goed. Wat de precieze reden is dat mijn advocaat afwezig is, weet ik niet. Ikzelf heb geen kennis van het dossier dan wel de vordering van de benadeelde partij.
De officier van justitie deelt vervolgens, verkort en zakelijk weergegeven, mede:
(…) Ik verzet mij niet tegen aanhouding van deze zaak nu de verdachte wil dat zijn advocaat aanwezig is ter terechtzitting en de verdachte daarnaast ook niet bekend is met de vordering benadeelde partij. Het is wel wat vreemd dat de advocaat van verdachte niet is verschenen. Ik heb gisteren pas bericht ontvangen van de advocaat met de wens om de geldboete te betalen, maar heb geen akte van intrekking ontvangen. Ik ben hierdoor van mening dat de zaak, nu deze is uitgeroepen, op zitting behandeld dient te worden.
(…)
De politierechter deelt mede dat nu de zaak is uitgeroepen het verzet tegen de strafbeschikking niet meer kan worden ingetrokken.”
4.4 Art. 257e Sv houdt, voor zover van belang, in:
“Artikel 257e
1. (…)
2. Het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken.
3. Het verzet kan door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde in persoon op het parket worden gedaan. In dat geval kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van het verzet. De verdachte alsmede een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd kunnen schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Op de brief wordt onverwijld dag en uur van ontvangst aangetekend. Zij wordt bij de processtukken gevoegd.
4. (…)
5. Bij het verzet worden opgegeven de naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. (…)
6. Van het doen van verzet wordt door het openbaar ministerie een akte opgemaakt. Indien het verzet in persoon wordt gedaan, wordt de akte mede ondertekend door degene die het doet. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel vermeld. De bijzondere volmacht, in het derde lid vermeld, wordt aan de akte gehecht. De akte wordt bij de processtukken gevoegd.
7. Van ieder verzet wordt dadelijk aantekening gedaan in een daartoe bestemd register hetwelk door belanghebbenden kan worden ingezien. Indien het verzet in persoon wordt gedaan, wordt desgevraagd terstond een kopie van de akte uitgereikt.
8. Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting kan degene die het heeft gedaan, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Intrekking geschiedt met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zevende lid.”
4.5 De Hoge Raad heeft in verband met de intrekking van verzet eerder overwogen dat “een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door daarna vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zulks komt ook overeen met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv”. [5] De Hoge Raad plaatst de intrekking van het verzet daarmee in de sleutel van intrekking en afstand doen van gewone rechtsmiddelen. Dat brengt naar het mij voorkomt mee dat alleen een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking van het verzet als rechtsgeldige intrekking kan gelden. [6]
4.6 Uit het aangehaalde samenstel van bepalingen van 257e Sv volgt verder dat het verzet kan worden ingetrokken met een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Wanneer deze brief wordt verzonden door een advocaat, dan dient deze te vermelden daartoe bepaaldelijk door de verdachte te zijn gevolmachtigd. Van de intrekking wordt door het openbaar ministerie een akte opgemaakt. Zowel de brief tot intrekking als de akte wordt bij de processtukken gevoegd. Van de intrekking wordt ten slotte aantekening gedaan in een daartoe bestemd register. In de rechtspraak over het rechtsmiddel van hoger beroep is uitgemaakt dat het niet ten nadele van de verdachte mag strekken als niet tijdig een akte wordt opgemaakt nadat een brief is ontvangen van de verdachte die strekt tot aanwending van een rechtsmiddel. [7] Analoog hieraan lijkt mij dat het de verdachte niet kan worden tegengeworpen als het openbaar ministerie tijdig, dat wil zeggen voor aanvang van de terechtzitting, een brief met een intrekking van het verzet ontvangt, maar verzuimt voorafgaand aan dat moment een akte tot intrekking op te maken.
4.7 Het geschetste wettelijke systeem van de intrekking van verzet houdt verder in dat het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid heeft voor de ontvangst en verwerking van een intrekking en voor de mededeling daarvan aan de rechtbank. Intrekking speelt zich in eerste instantie af in de relatie tussen de verdachte en het openbaar ministerie en buiten het zicht van de rechter. Voor de vaststelling dat een verzet is ingetrokken, is de rechter dus in beginsel afhankelijk van de verstrekking van stukken door het openbaar ministerie of de verdediging.
4.8 Uit de mededelingen van de officier van justitie en de verdachte op de terechtzitting van 23 juli 2019 zou kunnen worden afgeleid dat de advocaat van de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting van 23 juli 2019 een brief aan de officier van justitie heeft gestuurd met de wens om de geldboete alsnog te betalen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt niet dat de officier van justitie een dergelijke brief aan de politierechter heeft overgelegd. [8] De politierechter heeft vervolgens overwogen dat de zaak is uitgeroepen en dat het verzet tegen de strafbeschikking niet meer kan worden ingetrokken. Hierin ligt besloten dat de politierechter niet heeft vastgesteld dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking van het verzet voor de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting. De politierechter heeft in hetgeen op de zitting is voorgevallen, te weten de enkele mededeling dat een brief is gestuurd zonder dat is gesteld dat deze brief een intrekking inhoudt, op dat moment geen aanleiding gezien nader onderzoek te doen. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst zodat de verdachte zich kon voorzien van (nieuwe) rechtsbijstand. Daarbij is de verdachte het tijdstip van de volgende zitting op 7 oktober 2019 aangezegd. Het onderzoek is op die datum hervat. Op die terechtzitting is de verdachte noch een raadsman verschenen en is de verdachte veroordeeld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2022 is de verdachte wel met zijn raadsman verschenen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt niet dat door de verdachte of zijn raadsman is aangevoerd dat de verdachte zijn verzet tijdig heeft ingetrokken, laat staan dat daarbij een stuk is overgelegd waaruit de intrekking van het verzet blijkt. In het licht van die omstandigheden acht ik het door het hof bevestigde oordeel dat het verzet niet is ingetrokken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Omdat tegen dat oordeel op de terechtzitting van de politierechter 7 oktober 2019 en op de terechtzitting in hoger beroep geen verweer is gevoerd, meen ik dat het hof niet tot een nadere motivering of nader onderzoek was gehouden. Ik merk daarbij op dat de beoordeling of sprake is van een rechtsgeldige intrekking verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich in cassatie slechts beperkt laten toetsen.
4.9 Het tweede middel faalt.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.1 Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel komt op tegen de vaststelling door het hof van de omvang van de immateriële schade van de benadeelde partij.
5.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 januari 2022 houdt voor zover van belang in:
“De raadsheer vraagt aan de advocaat van de benadeelde partij of hij de vordering tot schadevergoeding wil toelichten:
Mr. Gallee licht de vordering van de benadeelde partij als volgt toe:
Aan de linkerzijde bij de oogkasbreuk is letsel ontstaan. Er is sprake van een hersenschudding. De neurologische klachten zijn na de mishandeling begonnen. Ik heb recente informatie van de neuroloog meegenomen. Hierin staan twee conclusies, namelijk dat er nog steeds neurologische klachten zijn en dat er hersenschade is. Deze stukken worden overgelegd aan de raadsheer, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte.
(…)
De advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt andermaal in de gelengheid gesteld het woord te voeren:
Ik kan niet meer maken van de materiële schadeposten. Dit zijn aannemelijke posten. Er is geen indicatie dat de benadeelde partij andere letsels heeft ondervonden. Ten aanzien van de immateriële schade vind ik dat mijn kantoorgenoot voorzichtig is geweest bij het bepalen van de schadevergoeding. Als ik de schade zou kunnen verhogen zou ik dat zeker doen. De jurisprudentie waarin € 9000,00 wordt toegewezen past beter bij deze zaak. Ten aanzien van het causale verband. Er is geen onderbouwing dat er in de tussentijd iets is gebeurd.”
5.3 De aantekening van het mondeling arrest houdt in verband met de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.703,50, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit € 837,00 ter compensatie van materiële schade en € 3.866,50 als vergoeding voor immateriële schade. In eerste aanleg heeft de benadeelde partij de materiële vordering vermindert met € 385,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.218,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen Tot een bedrag van € 4.051,50 te weten € 385,00 materieel en € 3.866,50 immaterieel en dat de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, vermeerdert met wettelijke rente.
De raadsman heeft de vordering betwist en verzocht de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft de mogelijkheid aangestipt dat het eigen risico eerder is verbruikt en gesteld dat de immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd is.
Zoals uit het voorgaande blijkt, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte de benadeelde partij heeft mishandeld. Daarmee heeft de verdachte jegens benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks de opgevoerde materiële schade, te weten € 385,00 met betrekking tot het eigen risico heeft geleden. De onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande de medische kosten, zijn van de zijde van de verdachte betwist in die zin dat gesteld is dat het eigen risico mogelijk eerder is verbruikt. Nu het incident heeft plaatsgevonden op 19 januari 2018 acht het hof dit niet aannemelijk en is deze stelling ook niet verder onderbouwd. Dit deel van de vordering, dat het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dan ook worden toegewezen.
Ook is komen vast te staan, op basis van de medische stukken die zich reeds in het dossier bevonden, het bezoek van het slachtoffer op de Spoedeisende eerste hulp op 20 januari 2018, de brief van de Spoedeisende hulp aan de huisarts van 21 januari 2018 en de door de benadeelde partij later ingediende medische stuken die aan het dossier zijn toegevoegd, dat de benadeelde partij links een breuk van de oogkas en luchtconfiguraties in de oogkas en een hersenschudding heeft opgelopen. De benadeelde partij is sinds 9 februari 2018 onder behandeling bij de psychiater [betrokkene 1] naar aanleiding van de doorverwijzing van de huisarts vanwege vermoeden van PTSS naar aanleiding van een mishandeling. De psychiater heeft gediagnosticeerd dat de benadeelde partij lijdt aan PTSS waarvoor hij behandeld dient te worden. Het hof is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat de benadeelde partij ten gevolge van de bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid vaststellen op € 2.866,50 waarbij in het bijzonder is gelet op de agressieve aard en de ernst van de aantasting van persoonlijke integriteit van de benadeelde partij, de omstandigheden waaronder dit is geschied en de gevolgen die deze aantasting voor de benadeelde partij heeft gehad (waaronder repercussies in zijn dagelijks leven), alsook de schadevergoeding die door rechters in vergelijkbare zaken is toegekend. De verdachte is in zoverre tot vergoeding van de immateriële schade gehouden, zodat de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente, tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Resumerend zal de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.251,50 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren en bepalen dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
(…)

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.251,50 (drieduizend tweehonderdeenenvijftig euro en vijftig cent), bestaande uit € 2.866,50 (tweeduizend achthonderdzesenzestig euro en vijftig cent) materiële schade en € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2018 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.251,50 (drieduizend tweehonderdeenenvijftig euro en vijftig cent) bestaande uit € 2.866,50. (tweeduizend achthonderdzesenzestig euro en vijftig cent) materiële schade en € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2018 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.”
5.4
Het middel komt op tegen de begroting van de immateriële schade op een lager bedrag dan door de benadeelde partij is gevorderd. Gesteld wordt dat ’s hofs motivering ontoereikend en onbegrijpelijk is, omdat de motivering geen uitleg bevat waarom een lager smartengeldbedrag is toegekend dan gevorderd. De motivering zou juist uitsluitend smartengeldverhogende omstandigheden bevatten.
5.5
Met betrekking tot de begroting van immateriële schade heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019 het volgende bepaald [9] :
“De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”
5.6
Het hof heeft de immateriële schade naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 2.866,50. Door de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen heeft het hof naar het mij voorkomt de juiste maatstaf aangelegd. Het hof heeft voorts door te overwegen dat “in het bijzonder is gelet op de agressieve aard en de ernst van de aantasting van persoonlijke integriteit van de benadeelde partij, de omstandigheden waaronder dit is geschied en de gevolgen die deze aantasting voor de benadeelde partij heeft gehad (waaronder repercussies in zijn dagelijks leven), alsook de schadevergoeding die door rechters in vergelijkbare zaken is toegekend”, ervan blijk gegeven de relevante omstandigheden bij de begroting van de schade te hebben betrokken. Mede in het licht van hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd meen ik dat ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Ik merk daarbij op dat de begroting van de schade sterk met de feiten is verweven en in zoverre in cassatie niet op haar juistheid kan worden getoetst. [10]
6. Het middel faalt.
Afronding
7. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Op 7 augustus 2023 is de in art. 435, lid 2, Sv bedoelde kennisgeving verzonden aan de benadeeld [slachtoffer] . Namens de benadeelde partij was reeds op 30 april 2023, en daarmee voor de verzending van de kennisgeving, een cassatieschriftuur ingediend. Nu de cassatieschriftuur nogmaals op 8 augustus 2023 en daarmee na de verzending van de kennisgeving als bedoeld in art. 435 lid 2 Sv Pro is ingediend, meen ik dat de Hoge Raad acht kan slaan op de cassatieschriftuur. Vgl. in dit verband de conclusie van AG Keulen ECLI:NL:PHR:2023:141, randnummers 82-88.
2.Dat het verzetschrift op 8 februari 2018 bij het parket is binnengekomen leid ik af uit een afdruk van een succesvolle faxverzending bovenaan het verzetschrift. Vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:578.
3.Vgl. bijvoorbeeld HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220 waarin de kantonrechter het verzet niet-ontvankelijk had verklaard en het hof dit vonnis had bevestigd.
4.Vgl. A.J.A. Van Dorst en M.J. Borgers,
5.HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:116. De Hoge Raad wijst daarbij op HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220.
6.Vgl. bijvoorbeeld HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:437. De Hoge Raad overweegt dat “het kennelijke oordeel van het hof dat de inhoud van de onder 2.2.1 weergegeven brief in dit geval als een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking kan gelden (…), mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk [is]”. Daaruit leid ik af dat bij de beoordeling of sprake is van een rechtsgeldige intrekking hetgeen door of namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd mede van belang kan zijn. Vgl. ook HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1881.
7.HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750.
8.Deze brief heb ik ook niet aangetroffen in het dossier.
9.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.7.
10.Vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358, rov. 3.2.