“Artikel 257e
1. (…)
2. Het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken.
3. Het verzet kan door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde in persoon op het parket worden gedaan. In dat geval kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van het verzet. De verdachte alsmede een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd kunnen schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Op de brief wordt onverwijld dag en uur van ontvangst aangetekend. Zij wordt bij de processtukken gevoegd.
4. (…)
5. Bij het verzet worden opgegeven de naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. (…)
6. Van het doen van verzet wordt door het openbaar ministerie een akte opgemaakt. Indien het verzet in persoon wordt gedaan, wordt de akte mede ondertekend door degene die het doet. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel vermeld. De bijzondere volmacht, in het derde lid vermeld, wordt aan de akte gehecht. De akte wordt bij de processtukken gevoegd.
7. Van ieder verzet wordt dadelijk aantekening gedaan in een daartoe bestemd register hetwelk door belanghebbenden kan worden ingezien. Indien het verzet in persoon wordt gedaan, wordt desgevraagd terstond een kopie van de akte uitgereikt.
8. Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting kan degene die het heeft gedaan, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Intrekking geschiedt met overeenkomstige toepassing van het tweede tot en met zevende lid.”
4.5 De Hoge Raad heeft in verband met de intrekking van verzet eerder overwogen dat “een eenmaal gedaan verzet niet vervalt enkel door daarna vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zulks komt ook overeen met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv”.De Hoge Raad plaatst de intrekking van het verzet daarmee in de sleutel van intrekking en afstand doen van gewone rechtsmiddelen. Dat brengt naar het mij voorkomt mee dat alleen een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking van het verzet als rechtsgeldige intrekking kan gelden.
4.6 Uit het aangehaalde samenstel van bepalingen van 257e Sv volgt verder dat het verzet kan worden ingetrokken met een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Wanneer deze brief wordt verzonden door een advocaat, dan dient deze te vermelden daartoe bepaaldelijk door de verdachte te zijn gevolmachtigd. Van de intrekking wordt door het openbaar ministerie een akte opgemaakt. Zowel de brief tot intrekking als de akte wordt bij de processtukken gevoegd. Van de intrekking wordt ten slotte aantekening gedaan in een daartoe bestemd register. In de rechtspraak over het rechtsmiddel van hoger beroep is uitgemaakt dat het niet ten nadele van de verdachte mag strekken als niet tijdig een akte wordt opgemaakt nadat een brief is ontvangen van de verdachte die strekt tot aanwending van een rechtsmiddel.Analoog hieraan lijkt mij dat het de verdachte niet kan worden tegengeworpen als het openbaar ministerie tijdig, dat wil zeggen voor aanvang van de terechtzitting, een brief met een intrekking van het verzet ontvangt, maar verzuimt voorafgaand aan dat moment een akte tot intrekking op te maken.
4.7 Het geschetste wettelijke systeem van de intrekking van verzet houdt verder in dat het openbaar ministerie de verantwoordelijkheid heeft voor de ontvangst en verwerking van een intrekking en voor de mededeling daarvan aan de rechtbank. Intrekking speelt zich in eerste instantie af in de relatie tussen de verdachte en het openbaar ministerie en buiten het zicht van de rechter. Voor de vaststelling dat een verzet is ingetrokken, is de rechter dus in beginsel afhankelijk van de verstrekking van stukken door het openbaar ministerie of de verdediging.
4.8 Uit de mededelingen van de officier van justitie en de verdachte op de terechtzitting van 23 juli 2019 zou kunnen worden afgeleid dat de advocaat van de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting van 23 juli 2019 een brief aan de officier van justitie heeft gestuurd met de wens om de geldboete alsnog te betalen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt niet dat de officier van justitie een dergelijke brief aan de politierechter heeft overgelegd.De politierechter heeft vervolgens overwogen dat de zaak is uitgeroepen en dat het verzet tegen de strafbeschikking niet meer kan worden ingetrokken. Hierin ligt besloten dat de politierechter niet heeft vastgesteld dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking van het verzet voor de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting. De politierechter heeft in hetgeen op de zitting is voorgevallen, te weten de enkele mededeling dat een brief is gestuurd zonder dat is gesteld dat deze brief een intrekking inhoudt, op dat moment geen aanleiding gezien nader onderzoek te doen. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst zodat de verdachte zich kon voorzien van (nieuwe) rechtsbijstand. Daarbij is de verdachte het tijdstip van de volgende zitting op 7 oktober 2019 aangezegd. Het onderzoek is op die datum hervat. Op die terechtzitting is de verdachte noch een raadsman verschenen en is de verdachte veroordeeld. Op de terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2022 is de verdachte wel met zijn raadsman verschenen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt niet dat door de verdachte of zijn raadsman is aangevoerd dat de verdachte zijn verzet tijdig heeft ingetrokken, laat staan dat daarbij een stuk is overgelegd waaruit de intrekking van het verzet blijkt. In het licht van die omstandigheden acht ik het door het hof bevestigde oordeel dat het verzet niet is ingetrokken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Omdat tegen dat oordeel op de terechtzitting van de politierechter 7 oktober 2019 en op de terechtzitting in hoger beroep geen verweer is gevoerd, meen ik dat het hof niet tot een nadere motivering of nader onderzoek was gehouden. Ik merk daarbij op dat de beoordeling of sprake is van een rechtsgeldige intrekking verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich in cassatie slechts beperkt laten toetsen.
4.9 Het tweede middel faalt.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel