Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
12 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voortkomend uit de verkoop van cocaïne, GHB en XTC-pillen en het witwassen van auto's.
De betrokkene was veroordeeld tot betaling van een bedrag van €30.954 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof bij de berekening van het verschuldigde bedrag geen rekening had gehouden met het reeds verbeurde geldbedrag op grond van artikel 33a lid 1 sub b Sv.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoudelijke uitspraak niet tot vernietiging leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door de late aanlevering van stukken door het hof en de lange duur van het cassatieproces.
Dit leidde tot een vermindering van de betalingsverplichting tot €27.860. Het beroep werd verder verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 12 december 2023.
Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verminderd tot €27.860 wegens overschrijding van de redelijke termijn.