Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
12 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2020, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. De aanvrager was bestuurder van een naamloze vennootschap waarvan alle aandelen in handen waren van gemeenten en die een overheidstaak uitvoerde.
De aanvraag stelde dat het hof niet had bewezen dat de aanvrager als ambtenaar in de zin van art. 363 lid 1 Sr Pro het geldbedrag van € 1.000.000 had gevraagd en aangenomen, omdat hij niet betrokken was bij netbeheer en er een strikte scheiding was tussen de betrokken vennootschappen.
De Hoge Raad oordeelde dat zelfs als deze stellingen juist zouden zijn, dit niet leidt tot een ernstig vermoeden dat het onderzoek anders had moeten verlopen. Het hof had vastgesteld dat de aanvrager als bestuurder eindverantwoordelijk was, onder toezicht van de overheid stond en betrokken was bij de uitvoering van de Splitsingswet.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag kennelijk ongegrond was en wees het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens gebrek aan nieuw ernstig vermoeden.