Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvraag
3.De aanvraag tot herziening
4.Bewezenverklaring
5.Beoordeling van de aanvraag
6.Beslissing
13 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2020, waarbij de aanvrager is veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift. De aanvrager, bestuurder van een gemeentelijke naamloze vennootschap met een overheidstaak, zou circa één miljoen euro hebben ontvangen voor ondersteuning bij de verkoop van een energieleveringstak.
De herzieningsaanvraag betoogde dat de aanvrager geen ambtenaar was omdat hij niet belast was met netbeheer en er een strikte scheiding bestond tussen de vennootschap en haar dochter. Ook werd aangevoerd dat de Splitsingswet, die de verkoop zou rechtvaardigen, pas in 2008 in werking trad terwijl de verkoop al in 2006 werd besproken.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde nieuwe gegevens geen ernstig vermoeden van onschuld wekken. Het hof had vastgesteld dat de aanvrager als bestuurder onder toezicht van de overheid stond en daardoor als ambtenaar kon worden aangemerkt. Bovendien berustte het hof niet op de inwerkingtreding van de Splitsingswet maar op het wetsvoorstel en het besluit tot verkoop.
Daarom is de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wordt deze afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor passieve ambtelijke omkoping.