Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een directeur centraal wegens het niet nemen van voldoende veiligheidsmaatregelen in een bedrijf waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld op grond van overtreding van diverse wettelijke bepalingen, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet en het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 1999).
De Hoge Raad behandelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder de vraag of het uitvaardigen van een exploitatieverbod vereist is alvorens artikel 23 Brzo Pro 1999 kan worden overtreden, en of het invoeren van een veiligheidsbeheerssysteem en het uitvoeren van veiligheidsstudies als maatregelen in de zin van Brzo 1999 gelden. Tevens werd beoordeeld of het verrichten van veiligheidsstudies een wettelijke verplichting is waarvan niet-naleving strafbaar is.
De Hoge Raad verwierp alle cassatiemiddelen en bevestigde daarmee de bewezenverklaring en strafmotivering van het hof. Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, achtte de Hoge Raad dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
De uitspraak onderstreept het belang van naleving van veiligheidsvoorschriften bij het werken met gevaarlijke stoffen en bevestigt dat bestuurders strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het niet treffen van adequate preventieve maatregelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de directeur voor onvoldoende veiligheidsmaatregelen met een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.