ECLI:NL:HR:2023:1766

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
21/03201
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 ArbeidsomstandighedenwetArt. 8.40.1 Wet milieubeheerArt. 23 Besluit risico’s zware ongevallen 1999Art. 5.1 Brzo 1999Art. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke aansprakelijkheid directeur voor onvoldoende veiligheidsmaatregelen bij gevaarlijke stoffen

In deze zaak stond de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een directeur centraal wegens het niet nemen van voldoende veiligheidsmaatregelen in een bedrijf waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld op grond van overtreding van diverse wettelijke bepalingen, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet en het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 1999).

De Hoge Raad behandelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder de vraag of het uitvaardigen van een exploitatieverbod vereist is alvorens artikel 23 Brzo Pro 1999 kan worden overtreden, en of het invoeren van een veiligheidsbeheerssysteem en het uitvoeren van veiligheidsstudies als maatregelen in de zin van Brzo 1999 gelden. Tevens werd beoordeeld of het verrichten van veiligheidsstudies een wettelijke verplichting is waarvan niet-naleving strafbaar is.

De Hoge Raad verwierp alle cassatiemiddelen en bevestigde daarmee de bewezenverklaring en strafmotivering van het hof. Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, achtte de Hoge Raad dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

De uitspraak onderstreept het belang van naleving van veiligheidsvoorschriften bij het werken met gevaarlijke stoffen en bevestigt dat bestuurders strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het niet treffen van adequate preventieve maatregelen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de directeur voor onvoldoende veiligheidsmaatregelen met een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03201 E
Datum19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 28 juli 2021, nummer 21-004269-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen komen met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaring en/of kwalificatie van de feiten 1 en/of 2.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 43-131.

3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel komt met verschillende deelklachten op tegen de strafmotivering.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 132-146.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2023.