Conclusie
1.
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisant:
veiligheidsrapport van [medeverdachte] B.V. d.d. 15 september 2012, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisanten:
hof: veiligheidsrapport) ingediend. Dit VR was niet compleet. Door de bedoelde organen en toezichthouders is gevraagd om aanvullende informatie van [medeverdachte] . Deze is ontvangen. Het VR was met de aanvullende informatie nog niet volledig, wat kenbaar is gemaakt aan [medeverdachte] .
als relaas van verbalisanten:
onderzoeksrapport van [B] BV d.d. 31 december 2013, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
het hof begrijpt: 12 december 2013) deed zich om 22.32 uur een incident voor in de adductreactor 48, waarin op dat moment ethyleenoxide werd gedoseerd. Dit rapport geeft een samenvatting van de belangrijkste onderzoeksresultaten zoals die in de week van 16 tot 20 december 2013 zijn vastgesteld.
brief van [verdachte] namens [medeverdachte] B.V. d.d. 1 januari 2014 aan de Inspectie SZW, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisanten:
rapport LoD Brzo d.d. 19 maart 2014 van de Inspectie SZW, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisanten:
als relaas van verbalisanten:
als verklaring van [verdachte]:
Bewijsoverwegingen ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten
Artikel 3
2. “MAATREGELEN” ALS BEDOELD IN HET BRZO 1999
onderscheiden vanhet preventiebeleidsdocument ex artikel 7 lid 1 van Pro Richtlijn 96/82/EG en het veiligheidsrapport – inclusief beschrijving veiligheidsbeheerssysteem – ex artikel 9 lid 1 sub a van Pro Richtlijn 96/82/EG.
Nota van Toelichting bij BRZO 1999
een uitwerking van de – reeds in de Seveso-richtlijn opgenomen – algemene zorgplicht die op de houder van de inrichting rust en die inhoudt dat hij alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen” kan aanleiding geven tot de misvatting dat het in alle onderdelen van artikel 5 BRZO Pro 1999 zou gaan om “maatregelen” in de zin van de Seveso-Richtlijn.
Degene die een inrichting drijft, ...” [volgt verplichting].
Arresten Hof ’s-Hertogenbosch in de Zaak-ChemiePack
Exploitanten moeten in het algemeen worden verplicht alle noodzakelijke maatregelen te treffen om zware ongevallen te voorkomen, de gevolgen daarvan te beperken en herstelmaatregelen te treffen. (...) De exploitant moet tevens een document waarin een preventiebeleid voor zware ongevallen wordt omschreven, opstellen waarin hij zijn algemene aanpak en maatregelen, met inbegrip van passende veiligheidsbeheerssystemen, voor het beheersen van de gevaren van zware ongevallen uiteenzet, en hij dient wanneer zulks op grond van het nationale recht vereist is, dit document aan de bevoegde autoriteit toe te zenden.”
BFK: 23) BRZO 1999 logisch, begrijpelijk en voorzienbaar is, terwijl het Europese recht vereist dat die uitleg ook nog eens richtlijnconform is.
“de noodzakelijke acties die in het inspectierapport zijn aangegeven”en wordt van de nationale autoriteiten verlangd dat zij bij de beslissing inzake een exploitatieverbod rekening houden met
“ernstige tekortkomingen in het nemen van [die] noodzakelijke acties die in het inspectierapport zijn aangegeven”.
“overeenkomstig de bevoegdheden en procedures van artikel 17 ... de voortzetting van de exploitatie ... [dient] te verbieden”ingeval die autoriteit van mening zou zijn dat uit dat veiligheidsrapport zou volgen dat die exploitatie niet verantwoord zou zijn.
i.e.tussen 8 en 11 april 2014) is het dus zeker nooit overtreden.
“Wat is een veiligheidsstudie”wordt immers aangegeven aan welke eisen een veiligheidsstudie moet voldoen en wordt van verschillende methodieken aangegeven of deze geschikt zijn als veiligheidsstudie. Door middel van dit proces-verbaal wordt de indruk gewekt dat mogelijke overtreding van het BRZO afhankelijk is van de vraag of “een veiligheidsstudie” is verricht, waarbij vervolgens door de Inspectie zelf wordt bepaald wat wel en wat niet als “veiligheidsstudie” kwalificeert. Dit gebeurt in de woorden van de Inspectie
“aan de hand van Nederlandse (overheids)normen”.
Hoe wordt een veiligheidsstudie uitgevoerd” blijkt overigens dat de betreffende twee inspecteurs zich hier ook terdege van bewust zijn: “
Voor het uitvoeren van veiligheidsstudies in het algemeen zijn geen algemene normen beschikbaar.” Ook in de eis van ISZW d.d. 23 december 2011 wordt dit uitdrukkelijk door ISZW onderkend:
“U stelt terecht dat u de mogelijkheid heeft om de CEI/IEC 61882:2001 te gebruiken om de risico ’s goed te identificeren en dat u vrij bent om een eigen weg te kiezen zolang de risico's maar aantoonbaar op de juiste wijze zijn geïdentificeerd. (...)”
“duidelijk onvoldoende maatregelen”en onder feit 2 dat
“niet alle maatregelen”zouden zijn getroffen per saldo volledig berusten op een subjectief oordeel van twee arbeidsinspecteurs.
SUBSIDIAIR: VRIJSPRAAK FEIT 2 WEGENS ONVOLDOENDE BEWIJS (ARTIKEL 5, LID 1 BRZO 1999)
Inleiding
die nodig zijn” om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. In hoeverre maatregelen nodig zijn wordt bepaald aan de hand van de risico-matrix van een BRZO-bedrijf. Risico’s kunnen en hoeven niet tot nihil te worden gereduceerd, maar op basis van de risico-matrix kan beoordeeld worden welke maatregelen er nodig zijn om de risico’s op het gewenste niveau te brengen. De uitkomst daarvan kan overigens ook zijn dat sprake is van acceptabele risico’s, waardoor geen (verdere) maatregelen nodig zijn.
“the benefit of hindsight”
.Vaststaat dat artikel 5 lid 1 BRZO Pro 1999 geen risicoaansprakelijkheid introduceert. Zo blijkt ook uit een recente uitspraak van de Afdeling:
“Deze bepaling verplicht niet tot het nemen van alle denkbare maatregelen ter voorkoming van alle denkbare ongevallen met gevaarlijke stoffen of ter beperking van de nadelige gevolgen daarvan.”
Bespreking van gedachtestreepje 1 (er waren voldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat ethyleenoxide explosief kon ontleden)
an sichniets unieks. Sterker nog, het was
“common practice”en is dat nog steeds. In dergelijke gevallen dienen alleen maatregelen genomen te worden en dat was precies wat [medeverdachte] had gedaan door ontstekingsbronnen te elimineren. Zonder ontstekingsbron kan er immers nooit een explosie plaatsvinden.
“stand der techniek” zou zijn.
Bespreking van gedachtestreepje 2 (er is niet gewerkt in strijd met de (eigen) opgestelde procedures)
Bespreking van gedachtestreepje 3 (er was een deugdelijk veiligheidsbeheersysteem)
Bespreking van gedachtestreepje 4 (het explosief ontleden van ethyleenoxide was voor de relevante adductreactoren wel degelijk als gevaar onderkend)
best practices" ten aanzien van veiligheid werden uitgewisseld tussen bedrijven met vergelijkbare processen.
Bespreking van gedachtestreepje 5 (het risico van het opsluiten van een brandbare vloeistof was wel degelijk onderkend)
substance over form’ versus ‘
form over substance’. Er moet worden gekeken naar de echte werkelijkheid, niet de papieren werkelijkheid. Ik zou willen dat dit in deze zaak ook zou gebeuren. De Inspectie doet aan
form over substancedoor zich blind te staren op de papieren die in de ogen van de Inspectie niet door de beugel konden.
5.RICHTLIJN EN WET SCHRIJVEN GEEN VEILIGHEIDSSTUDIE VOOR
Bijlage IIaanhef en onder c.
Bijlage IIIaanhef en onder c, onderdeel ii:
7.WAAR HALEN DE ISZW-VERBALISANTEN HUN NORM VANDAAN?
8.BEGRIP “VEILIGHEIDSSTUDIE” IS ONDUIDELIJK
BFK: tabel)
9.HET EXPLOITATIEVERBOD ALS BEDOELD IN DE SEVESO-RICHTLIJNEN
10.EUROPESE ACHTERGROND INFORMATIE
6. Article 19 – Prohibition of use
seriously deficient”? In particular, would a prohibition of use be appropriate if the failure is a matter of form (e.g. untimely or incomplete notification) rather than strictly a matter of safety?
11.IMPLEMENTATIE IN NEDERLAND
“het tot de verantwoordelijkheid van degene die de Seveso-inrichting exploiteert [behoort] om de activiteit te beëindigen, totdat de maatregelen die nodig zijn wel voldoende zijn uitgevoerd.”
richtlijnconformuit te leggen en aldus te lezen dat (een redelijke wetsuitleg met zich meebrengt dat) dit verbod slechts betrekking kan hebben op de situatie dat het bevoegd gezag de drijver van de inrichting heeft verboden die inrichting in werking te hebben.
NJ1992/250: van iemand die er nog slechts van op de hoogte is dat de officier van justitie het voornemen heeft een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 29 WED Pro te vorderen (i.c. de stillegging van een onderneming), kan niet worden gevergd dat hij zich (alvast) gaat gedragen alsof die maatregel reeds was bevolen.
Primairbehoort [medeverdachte] daarom te worden vrijgesproken.
Subsidiairzou artikel 23 BRZO Pro 1999 buiten toepassing moeten blijven, nl. indien het Hof zou menen dat een richtlijnconforme interpretatie van deze bepaling niet mogelijk zou zijn. In dat geval zou [medeverdachte] behoren te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Meest subsidiairzouden een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU moeten worden gesteld, zoals:
ARTIKEL III
Wijze van implementatie
Voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken
Artikel I
Artikel IV
Artikel 1a
Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 8
eerste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet. Het overtreden voorschrift, art. 23 Brzo Pro 1999, is – meen ik – een voorschrift vastgesteld krachtens de
tweede volzinvan dat artikellid. Het arrest spreekt bij het onder 2 bewezenverklaarde van overtreding van een voorschrift vastgesteld krachtens art. 8.40, eerste lid, Wet milieubeheer. Uit de tekst van art. 25, tweede lid, Brzo 1999 in samenhang met de Nota van Toelichting op een wijziging van het Brzo 1999 in 2006, hierboven weergegeven, valt af te leiden dat het overtreden voorschrift, art. 5, eerste lid, Brzo 1999, eveneens is gebaseerd op art. 6, eerste lid, tweede volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet. [29] Nu over de kwalificatie niet wordt geklaagd en de verdachte door de onjuiste kwalificatie niet in zijn belangen is geschaad (art. 6, eerste lid, tweede volzin, Arbeidsomstandighedenwet was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten vermeld in art. 1 onder Pro 1o WED), kan dit – meen ik – verder blijven rusten.
eerstemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft overwogen dat niet vereist is dat de bevoegde autoriteiten eerst een exploitatieverbod moeten uitvaardigen alvorens het voorschrift van art. 23 Brzo Pro 1999 kan worden overtreden. Dat voorschrift zou uitvoering beogen te geven aan art. 17 van Pro Richtlijn 96/82/EG, en die bepaling zou expliciet een voorafgaand besluit van de bevoegde autoriteiten vereisen waartegen de exploitant beroep moet kunnen instellen. Deze richtlijn gaat er, aldus de steller van het middel, ook op andere plaatsen duidelijk vanuit dat het exploitatieverbod een bestuurlijke bevoegdheid is, waarbij het verbod geconcretiseerd moet worden en ook genuanceerd moet worden toegepast. Er zou geen sprake kunnen zijn van een algemeen wettelijk exploitatieverbod dat rechtstreeks dan wel uit zichzelf zou kunnen werken.
Amsterdam Bulboverwoog dit hof dat ‘bij ontbreken in de gemeenschapsregels van een bepaling welke bepaalde sancties stelt op overtreding dier regels door particulieren, de Lid-Staten bevoegd zijn die sancties te voorzien, welke hun geëigend voorkomen’. [30] Art. 17 van Pro Richtlijn 96/82/EG stelt zelf geen sancties op overtreding van regels door exploitanten; het bepaalt alleen dat de lidstaten de exploitatie of inbedrijfstelling van (een gedeelte van) een inrichting, installatie of opslagplaats in nader omschreven situaties verbieden respectievelijk kunnen verbieden. Het opleggen van een straf in een geval waarin de richtlijn de lidstaten ertoe verplicht of de mogelijkheid geeft een exploitatieverbod op te leggen kan de verwezenlijking van de met Richtlijn 96/82/EG nagestreefde doelstelling ook niet in gevaar brengen, integendeel. [31]
tweedemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft bewezenverklaard dat [medeverdachte] duidelijk onvoldoende respectievelijk niet alle maatregelen getroffen heeft die nodig waren omdat [medeverdachte] niet kon aantonen dat zij voldoende veiligheidsstudies had verricht en omdat [medeverdachte] geen (deugdelijk) veiligheidsbeheerssysteem had ingevoerd, zulks terwijl de verdachte als directeur/bestuurder van [medeverdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging. Daarbij heeft het hof, aldus de steller van het middel, geoordeeld dat ‘de administratieve middelen waarmee een exploitant moet aantonen dat hij de vereiste maatregelen heeft getroffen, ook zelf maatregelen zijn in de zin van BRZO 1999’. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omdat ‘in de toepassing van het BRZO 1999 – gelezen tegen de achtergrond van Richtlijn 96/82/EG – juist onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de te treffen maatregelen en anderzijds de bewijsmiddelen die moeten aantonen dat (waar, hoe, in welke mate) die maatregelen zijn getroffen’. In de toelichting wordt naar voren gebracht dat het hof ook onvoldoende gemotiveerd zou hebben waarom het is afgeweken van een andersluidend door de raadslieden in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
derdemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft geoordeeld dat ‘het verrichten van de door de inspectie verlangde veiligheidsstudies een wettelijke verplichting is – waarvan de niet-naleving een strafbaar feit zou opleven – en dat een installatiescenario niet toereikend zou zijn om aan de wettelijke verplichting te voldoen’. Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omdat in de regelgeving ter uitvoering van Richtlijn 96/82/EG nergens de verplichting staat verwoord tot het verrichten van een veiligheidsstudie.
kanbetekenen dat kan worden volstaan met ‘relatief eenvoudige studies’. In de toelichting wordt het voorbeeld gegeven van opslaginstallaties waarbij een checklist of een beperkte procesveiligheidsanalyse zou volstaan. Maar voor ‘complexe procesinstallaties met een veelheid aan menselijke handelingen’ ligt dat anders en kan gebruik gemaakt worden ‘van bijvoorbeeld een risicoanalyse, een procesveiligheidsanalyse, storingsanalyses en taakanalyses. Om te kunnen bepalen welke veiligheidsstudie in welke situatie moet worden gebruikt, dient de exploitant heldere criteria en procedures vast te stellen’. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de inrichting drie adductreactoren aanwezig waren en dat met ethyleenoxide wordt gewerkt (bewijsmiddelen 6, 7), dat het om in totaal 246 installaties gaat waaronder mengketels (bewijsmiddel 10) en een reactor waarin tijdens een controle methanol en polyfosforzuur was toegevoegd (bewijsmiddel 12). Het ging derhalve niet enkel om opslaginstallaties.
vierdemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing inzake feit 2 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. Tegen de bewezenverklaring van hetgeen achter elk van de vijf gedachtestreepjes is opgenomen, is een deelklacht geformuleerd.
BFK: 12 december 2013 tot en met 11 april 2014) ‘“nodig” was, nu [medeverdachte] al haar adductreactoren in die periode had stil gelegd, dus reeds de ultieme maatregel had getroffen’. In de toelichting wordt opgemerkt dat [medeverdachte] aansluitend aan de stillegging gedurende de periode van 12 december 2013 tot en met 21 januari 2014 ‘haar productieproces (heeft) aangepast door uit voorzorg buiten de explosiegrens te gaan opereren, via de toevoeging van meer stikstof’. Het in de tenlastelegging bedoelde gevaar was volgens de steller van het middel ‘gedurende de bewezen verklaarde periode dus geëlimineerd, door radicale maatregelen: eerst de stillegging, daarna het opereren buiten het explosiegebied door de verhoogde stikstoftoevoer’.
vijfdemiddel bevat de klacht dat 's hofs bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. De eerste deelklacht houdt in dat ‘voorwaardelijk opzet op onvoldoende maatregelen (sec) niet toereikend is voor een bewezenverklaring van “duidelijk onvoldoende” maatregelen’. In de toelichting wordt aangevoerd dat het opzet zich niet alleen dient uit te strekken over het bestanddeel ‘onvoldoende maatregelen’, maar ook over het bestanddeel ‘duidelijk’ in de betekenis van art. 23 Brzo Pro 1999. De misdrijfvariant van het delict uit hoofde van art. 23 Brzo Pro 1999 zou daarmee ‘een verzwaard opzet op de ontoereikendheid van de maatregelen’ vergen. ’s Hofs oordeel dat [medeverdachte] ‘minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het treffen van onvoldoende maatregelen om zware ongelukken te voorkomen in de genoemde periode’ zou niet toereikend zijn omdat daaruit niet [medeverdachte] ’s opzet ‘op de klaarblijkelijkheid van het tekortschieten van de getroffen maatregelen’ volgt.
zesdemiddel bevat de klacht dat 's hofs straftoemetingsbeslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten nadele van de verdachte gewicht zou hebben toegekend aan eerdere overtredingen door [medeverdachte] van het Brzo 1999, terwijl ‘rechtens in het geheel niet vaststaat dat [medeverdachte] zich ooit schuldig heeft gemaakt aan enige overtreding van het BRZO 1999, zodat zij en ook haar directeur er aanspraak op hadden ook door het hof voor onschuldig te worden gehouden’. Aangevoerd wordt dat [medeverdachte] slechts is ‘aangesproken op vermeende tekortkomingen’, maar dat deze overtredingen in de bewezenverklaarde periode reeds waren opgeheven. Niet valt in te zien, aldus de steller van het middel, dat het feit dat [medeverdachte] eerder is aangesproken op verbeterpunten in haar nadeel zou moeten wegen. Dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat [medeverdachte] zich vóór 2014 zou hebben schuldig gemaakt aan overtredingen van het Brzo 1999 en die aanname nadelig heeft laten meewegen bij de strafoplegging, zou in strijd zijn met art. 6, tweede lid, EVRM.