Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5. Het hof heeft verder het volgende overwogen:
“Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.
De verdachte heeft op 4 juni 2014 het geldbedrag van € 245,- via [A] overgemaakt aan [B] te Istanbul. Dit geld was bedoeld voor ene [betrokkene] , die volgens de verdachte zei dat hij als bijnaam [betrokkene] had. De verdachte heeft verklaard dat hij via een Facebook-bericht door [betrokkene] is verzocht voornoemd bedrag over te maken aan [B] , die aldus fungeerde als tussenpersoon, omdat [betrokkene] vast zat in Turkije en geld nodig had om terug te reizen naar Nederland. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist en nog steeds niet weet wie [betrokkene] is, maar dat hij hem wel wilde helpen. [betrokkene] liet weten dat hij de verdachte en zijn broertje wel kende uit de buurt. De verdachte ging ervan uit dat hij geld leende aan één van de jongeren met wie hij ooit als jongerenwerker had gewerkt.
(...)
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan het hof niet vaststellen dat de verdachte op 4 juni 2014, ten tijde van het overmaken van het geldbedrag van € 245,-, wist dat [B] en/of [betrokkene] lid was/waren van IS of een andere terroristische organisatie dan wel anderszins daarbij betrokken waren. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd valt een dergelijke wetenschap niet af te leiden uit verdachtes eigen verklaring, waar hij stelt dat hij van de persoon voor wie het geld bestemd was heeft geëist niet door te reizen of het geld door te sluizen naar IS, of een vergelijkbare organisatie. De berichtgeving in openbare bronnen, waaruit zou volgen dat [B] een bekende IS-bankier is, dateert van een latere datum.
(...)
Onder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij de Sanctiewet 1977 heeft overtreden, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld. Overtreding van voormelde sanctieregeling is strafbaar gesteld als economisch delict door middel van de Sanctiewet 1977 jo. artikel 1, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten. Bij overtreding van een dergelijk economisch delict geldt de leer van het kleurloos opzet. Die leer houdt kort gezegd in dat het opzet van de verdachte niet hoeft te zijn gericht op het wederrechtelijk aspect van zijn handelen, maar slechts op de feitelijke gedraging. Een verdachte van een economisch delict is strafbaar, indien hij willens en wetens heeft gehandeld zoals in de strafbepaling is omschreven.
Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte willens en wetens het geldbedrag van € 245,- heeft overgemaakt naar de tussenpersoon [B] . Dat de verdachte geen wetenschap had dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) terecht is gekomen, doet er in het kader van het kleurloos opzet niet toe. Aan de hand van de wettige bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat dit geld bij de ten laste gelegde organisaties ook op indirecte wijze terecht gekomen is. Immers, de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het geld bij degene voor wie het bestemd was terecht is gekomen en inmiddels is bekend dat deze persoon in de ten laste gelegde periode als IS-strijder in Syrië verbleef.
Het hof acht derhalve het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”