Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 februari 2023.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2022, waarin de verlenging van een zorgmachtiging werd bevestigd. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene niet in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen en dat er geen sprake was van wilsbekwaam verzet, zoals bedoeld in artikel 2:1 lid 6 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, terwijl de Advocaat-Generaal een conclusie tot verwerping van het cassatieberoep heeft uitgebracht. De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en daarmee de verlenging van de zorgmachtiging bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verlenging van de zorgmachtiging blijft gehandhaafd.