ECLI:NL:HR:2023:233

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
14 februari 2023
Zaaknummer
20/03275
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227b SrArt. 81 lid 1 ROArt. 440 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in uitkeringsfraudezaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake uitkeringsfraude door het niet tijdig verstrekken van verplichte gegevens aan het UWV, meermalen gepleegd. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 240 uur.

In cassatie werden klachten over het opzet op schending van de inlichtingenplicht en de redelijke termijn in hoger beroep ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het gehele arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uur naar 228 uur, met een subsidiaire vermindering van de vervangende hechtenis van 120 naar 114 dagen.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis en verwierp het beroep voor het overige.

Uitkomst: De taakstraf werd verminderd van 240 naar 228 uur wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03275
Datum14 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2020, nummer 22-003068-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte01]
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde taakstraf, in zoverre tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv Pro als de Hoge Raad passend oordeelt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 228 uren, subsidiair 114 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 februari 2023.