Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
14 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 april 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor meervoudige verduistering van geldbedragen als secretaris van een stichting. De verdachte stelde in cassatie diverse klachten in, onder meer over het opzet op wederrechtelijkheid en wederrechtelijke toe-eigening van de geldbedragen, en over de toepassing van artikel 126ij Sv met betrekking tot burgerpseudodienstverlening.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond geen aanleiding om inhoudelijk te motiveren, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada. Het beroep van de verdachte is verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.