ECLI:NL:HR:2023:252

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
21/00170
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30fb AWRArt. 31 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest over berekening belastingrente bij voorlopige aanslag

De Hoge Raad heeft op 17 februari 2023 een herstelarrest gewezen ter verbetering van het arrest van 18 november 2022. Het geschil betreft de berekening van belastingrente over een periode waarin de Belastingdienst al beschikte over het te betalen belastingbedrag vanwege een eerdere voorlopige aanslag.

In het oorspronkelijke arrest was de belastingrente berekend over een te lange periode, waarbij het werkelijke aantal dagen werd gehanteerd in plaats van het aantal dagen conform artikel 31 van Pro de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. De Staatssecretaris van Financiën had om herstel van deze kennelijke vergissing verzocht.

De Hoge Raad heeft het arrest aangepast door de periode waarover belastingrente wordt berekend te beperken tot 219 dagen in plaats van 483 dagen, en de belastingrente te verminderen tot € 704 in plaats van € 708. Hiermee is het arrest gecorrigeerd conform de wettelijke bepalingen omtrent de berekening van belastingrente.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt het arrest door de belastingrente te verminderen tot € 704 op basis van de correcte periode van 219 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00170
Datum17 februari 2023
HERSTELARREST
ter verbetering van het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022, nr. 21/00170, ECLI:NL:HR:2022:1673, gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 december 2020, nr. BK-20/00347 [1] .

1.Overwegingen voor herstel

1.1
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 18 november 2022 arrest gewezen.
Nadien heeft de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], verzocht om verbetering van het arrest.
Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
1.2
In rechtsoverweging 3.5 van het arrest heeft de Hoge Raad het volgende beslist met betrekking tot de in rekening te brengen belastingrente:
“(…) Aan belanghebbende is over het op grond van de derde voorlopige aanslag te betalen bedrag van € 14.478 ten onrechte belastingrente in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2017 tot 24 maart 2018, omdat de Belastingdienst in deze periode al beschikte over dit bedrag vanwege de door belanghebbende betaalde eerste voorlopige aanslag. De berekening van de belastingrente dient derhalve beperkt te worden tot de periode 25 maart 2018 tot en met 3 november 2018, zijnde 224 dagen in plaats van 491 dagen. De belastingrente dient daarom te worden verminderd tot 224/491 van € 1.553, derhalve tot € 708.”
1.3
De Staatssecretaris heeft in zijn verzoek terecht erop gewezen dat de Hoge Raad bij de berekening van de verschuldigde belastingrente is uitgegaan van het werkelijke aantal dagen in plaats van het aantal op de voet van artikel 31 van Pro de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 in aanmerking te nemen dagen.
Herstel van deze kennelijke vergissing brengt mee dat de laatste twee zinnen van rechtsoverweging 3.5 van het arrest als volgt komen te luiden:
“De berekening van de belastingrente dient derhalve beperkt te worden tot de periode 25 maart 2018 tot en met 3 november 2018, zijnde 219 dagen in plaats van 483 dagen. De belastingrente dient daarom te worden verminderd tot 219/483 van € 1.553, derhalve tot € 704.”
Het dictum met betrekking tot de hoogte van de belastingrente wordt als volgt aangepast:
“- vermindert de belastingrente tot een bedrag van € 704,”.

2.Beslissing

De Hoge Raad verbetert het arrest van 18 november 2022, nr. 21/00170, op de hiervoor in onderdeel 1.3 vermelde wijze.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2023.