Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens rijden onder invloed en het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof had geoordeeld dat het vonnis van de kantonrechter, waarbij een ontzegging bestuursrechtelijke maatregel (OBM) was opgelegd, onherroepelijk was en dat de verdachte op de hoogte was van de ingangsdatum en de termijn van deze OBM.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende had gereageerd op het verweer dat de onherroepelijkheid van het vonnis van de kantonrechter niet vaststond en dat de kennisgeving van de OBM niet aan hem persoonlijk was betekend, waardoor hij niet op de hoogte zou zijn geweest van de ingangsdatum en termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen aanleiding geven tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht te beantwoorden en verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.