Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met betrokkenheid bij meerdere Opiumwetdelicten. In cassatie werd betoogd dat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren dat de betrokkene zich voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode schuldig had gemaakt aan strafbare feiten, mede gelet op voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat beantwoording van de gestelde vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep werd derhalve verworpen. Dit arrest bevestigt de toepassing van de methode van eenvoudige kasopstelling bij de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van de oude artikelen 36e.2 en 36e.3 Sr en benadrukt de vereiste van concrete aanwijzingen voor strafbare gedragingen voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.