Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een appartementseigenaar en de Vereniging van Eigenaars (VvE) over een wijziging van de akte van splitsing, waarbij met een 80%-meerderheid besloten werd tot aanpassing van de eigendomsverhoudingen binnen het complex.
De eiser vorderde vernietiging van dit besluit op grond van vermeende schade en strijd met redelijkheid en billijkheid. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde het besluit en oordeelde dat de VvE onvoldoende had bewezen dat de eiser geen schade zou lijden door de wijziging.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en overweegt dat een wijziging die inhoudt dat gemeenschappelijke gedeelten worden toegedeeld aan individuele eigenaren niet kan plaatsvinden op grond van art. 5:139 lid 2 BW Pro, maar unanimiteit vereist. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad het begrip schade in art. 5:140b lid 3 BW en stelt dat kosten van wijziging van de akte niet als schade gelden indien redelijk schadeloos wordt aangeboden.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarbij de Hoge Raad benadrukt dat het belang bij cassatie ontbreekt nu het besluit integraal is vernietigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het besluit tot wijziging van de akte van splitsing wordt vernietigd.