ECLI:NL:HR:2023:300
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over aansprakelijkstelling en boetebeschikkingen loonbelasting
In deze zaak stond de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de nageheven loonbelasting van een vennootschap over de periode maart 2014 tot en met augustus 2018 centraal, evenals de daarbij opgelegde boetebeschikkingen en kosten van vervolging. Belanghebbende was in eerste aanleg en in hoger beroep in het gelijk gesteld door de Rechtbank en het Gerechtshof Den Haag.
De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof. De Hoge Raad heeft de klachten van de Staatssecretaris beoordeeld, maar deze bleken onvoldoende voor vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet inhoudelijk omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatieberoep. Tevens wordt vermeld dat de zaak samenhangt met een andere zaak (nr. 21/01687) en dat een griffierecht is geheven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.