ECLI:NL:GHDHA:2021:2913
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- W.M.G. Visser
- J.T. Sanders
- U.E. Tromp
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen aansprakelijkstelling bestuurder voor loonheffingen en boeten
Belanghebbende was bestuurder en aandeelhouder van een holding en indirect bestuurder van [A B.V.], een ingenieursbureau dat door de financiële crisis in de bouwsector vanaf 2012 tot 2018 in zwaar weer verkeerde. Door onbetaalde loonheffingen legde de Belastingdienst naheffingsaanslagen, boeten en kosten op, waarvoor belanghebbende aansprakelijk werd gesteld. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, stellende dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, onder meer vanwege hoge managementvergoedingen en onttrekkingen via een andere vennootschap.
In hoger beroep heeft het Hof op basis van aanvullende stukken en toelichtingen geoordeeld dat de betalingen via [C B.V.] plausibele zakelijke transacties waren en dat de bedrijfsvoering gericht was op continuering van het bedrijf en behoud van werkgelegenheid. Het Hof vond geen bewijs dat belanghebbende bewust belastingschulden onbetaald had gelaten of dat sprake was van een afweging die een redelijk denkend bestuurder niet zou maken.
Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de Rechtbank en de beschikking van de Ontvanger, verklaarde het hoger beroep gegrond, en veroordeelde de Ontvanger tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De aansprakelijkstelling voor loonheffingen, boeten en kosten werd daarmee opgeheven.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de eerdere uitspraak en oordeelt dat belanghebbende niet aansprakelijk is wegens ontbreken van kennelijk onbehoorlijk bestuur.