Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 januari 2023.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2020. Ondanks het instellen van het beroep heeft de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het ontbreken van cassatiemiddelen betekent dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen, conform artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 17 januari 2023.
Uitkomst: Het beroep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.