Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een landbouwbedrijf met een biogasinstallatie en ECS, een bedrijf dat revisie- en onderhoudswerkzaamheden aan verbrandingsmotoren uitvoert. Partijen sloten een overeenkomst waarbij ECS werkzaamheden aan een zestiencilinder gasmotor zou uitvoeren. Er ontstond vertraging door late levering van onderdelen, waardoor de motor later dan gepland in gebruik kon worden genomen.
De eiser vorderde schadevergoeding wegens de vertraging, terwijl ECS betaling van openstaande facturen eiste. De rechtbank kende de schadevergoeding toe en verrekende deze met de vordering van ECS. Het hof vernietigde het vonnis en wees de schadevergoeding af, stellende dat geen fatale termijn was overeengekomen en ECS niet in verzuim was omdat geen ingebrekestelling had plaatsgevonden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewijsaanbod van de eiser over een mondeling overeengekomen fatale termijn niet werd toegelaten. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tevens veroordeelde de Hoge Raad ECS in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.