ECLI:NL:HR:2023:334

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
21/01281
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2016

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente voor het jaar 2016. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof heeft op 9 februari 2021 uitspraak gedaan, waarbij het geschil werd beslecht.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven omdat de klachten geen vragen bevatten die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Dit arrest is op 3 maart 2023 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Feteris, Faase en Van Eijsden.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01281
Datum3 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2021, nr. 19/01237 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/1314) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.