ECLI:NL:HR:2023:425
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering pensioenverplichting en rekenrente in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, maakte bezwaar tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over 2016 en 2017 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De zaak werd behandeld door de Rechtbank Den Haag en vervolgens het Gerechtshof Den Haag, waarbij belanghebbende in hoger beroep ging tegen de uitspraak van de rechtbank.
In cassatie stelde belanghebbende dat het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001, in samenhang met artikel 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969, in strijd zou zijn met het recht op ongestoord genot van eigendom zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2023:324) waarin deze klacht reeds is verworpen.
De overige klachten van belanghebbende werden eveneens beoordeeld maar leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak om deze klachten nader te motiveren omdat ze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Ten slotte wees de Hoge Raad af dat proceskosten aan belanghebbende werden opgelegd en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.