Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 maart 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 april 2021. Ondanks het instellen van het beroep zijn er geen cassatiemiddelen door de advocaat van de verdachte ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep van de verdachte niet in behandeling kunnen nemen vanwege het ontbreken van een schriftuur met klachten, zoals vereist op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 28 maart 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.