ECLI:NL:PHR:2023:166

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
21/01895
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 27 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 437, tweede lid, Sv de middelen van cassatie binnen twee maanden na betekening van de aanzegging moeten worden ingediend. In deze zaak is die termijn niet in acht genomen, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.

De aanzegging is op correcte wijze betekend aan het adres dat in de SKDB-informaties staat vermeld, ondanks dat geen adres van verdachte in Nederland bekend is. De brief is niet onbestelbaar retour gekomen en een Spaanse tolk was aanwezig tijdens het hoger beroep. Desondanks leidt het niet tijdig indienen van de middelen tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van de middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01895
Zitting7 februari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 16 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘2 primair: medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’, ‘3 meer subsidiair: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en ‘4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en 10a, eerste lid van de Opiumwet’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01721, 21/01747, 21/01795, 21/01874, 21/01722 en 21/01878. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 29 september 2021 betekend. De gerechtelijke brief is op die dag uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] , [plaats] . In de schriftelijke volmacht bij de akte cassatie is dit als het adres van verdachte vermeld. Uit de informatiestaat SKDB-persoon van verdachte blijkt dat van de verdachte geen adres in Nederland bekend is. Als adres is ook in de SKDB-staat vermeld: [a-straat 1] , [plaats] . Met de verzending aan dat adres is voldaan aan de eis van art. 36e, derde lid, Sv. [1] Op een kopie van de aanzegging die zich in het dossier bevindt is aangetekend ‘+ bijsluiter buitenland’. Ik begrijp daaruit dat ook – onder meer – de Spaanse vertaling die art. 36e, derde lid, Sv in dit geval eist, is bijgevoegd. [2]
4. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. ook art. 5, tweede lid, onder c, Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie,
2.Zie over die bijsluiter de conclusie van A-G Harteveld voor HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, NJ 2017/43 m.nt. Vellinga-Schootstra, randnummer 2.6. Ik merk daarbij op dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep waar de zaak inhoudelijk is behandeld een Spaanse tolk is verschenen.