Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
. [3]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de grondbelastingaanslagen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegd aan belanghebbende, een niet-natuurlijke persoon, op grond van de Landsverordening grondbelasting (Lgb). Voor 2017 en 2018 gold een tarief van 0,4 procent, terwijl dit met ingang van 2019 werd verhoogd naar 0,6 procent. Belanghebbende ontving aanslagen gebaseerd op een waarde van Afl. 400.262.816, die na bezwaar werden verminderd tot een waarde van Afl. 275.000.000.
Het Gerecht in eerste aanleg stelde voor 2017 een waarde van Afl. 250.000.000 vast en verklaarde het beroep tegen de aanslag 2019 ongegrond, waarbij werd overwogen dat de Inspecteur de aanslag 2019 moest verminderen uitgaande van diezelfde waarde. Het Hof oordeelde dat de aanslag 2019 geen eerste aanslag was, maar een tweede aanslag die ontoelaatbaar is, omdat de heffingssystematiek volgens het Hof inhoudt dat de aanslag voor 2019 reeds vóór 1 januari 2017 was vastgesteld.
In cassatie klaagt de Minister dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanslag 2019 geen eerste aanslag is. De Hoge Raad volgt dit betoog en verwijst naar een prejudiciële beslissing waarin is vastgesteld dat de aanslag 2019 wel degelijk een eerste aanslag is die mag worden opgelegd met het nieuwe tarief van 0,6 procent. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraken van het Hof, het Gerecht en de Inspecteur voor zover deze betrekking hebben op de aanslag 2019 en vermindert de aanslag tot Afl. 1.500.000. De proceskosten worden niet aan de partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken over de aanslag grondbelasting 2019 en vermindert de aanslag tot Afl. 1.500.000.