ECLI:NL:HR:2023:647
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over bezitstermijn bedrijfsopvolgingsregeling bij splitsing onderneming
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet 1956 bij een schenking van aandelen in een holdingmaatschappij die een onderneming drijft. De moeder van belanghebbende had via een holding een indirect belang van 49% in een onderneming die was opgesplitst in twee onderdelen ('horen' en 'zien'). Na een splitsing en afsplitsing werden de aandelen in een dochtermaatschappij geschonken aan belanghebbende, waarbij de BOR werd toegepast.
De Inspecteur stelde dat slechts 49% van de aandelen voldeed aan de vijfjaarstermijn van artikel 35d lid 1 sub c SW, omdat de splitsing een nieuwe bezitstermijn zou hebben doen aanbreken. Het hof oordeelde echter dat geen nieuwe bezitstermijn was aangevangen omdat de onderneming als één geheel werd voortgezet en het belang van de schenker daardoor 100% was geworden.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte enkel heeft gekeken naar het bestaan van één onderneming op het moment van schenking, zonder te beoordelen of de dochtermaatschappijen van de oorspronkelijke vennootschap daadwerkelijk één onderneming vormden en of de schenker bij de splitsing een overeenkomstig gedeelte van de activiteiten heeft verkregen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nadere beoordeling.
De Hoge Raad wijst tevens op de relevante wetsartikelen en uitvoeringsregels die bepalen dat bij splitsingen de bezitstermijnen van aandelen moeten worden samengevoegd en dat per onderneming moet worden beoordeeld of aan de bezitseis is voldaan. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor nadere beoordeling van de bezitstermijn bij de bedrijfsopvolgingsregeling.