ECLI:NL:HR:2023:650
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg verkoopregulerend beding in overdrachtsbelasting
Belanghebbende verkreeg aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon en betaalde overdrachtsbelasting over de gezamenlijke taxatiewaarde van de onderliggende panden. In de koopovereenkomst was een antispeculatiebeding opgenomen dat een deel van de winst bij doorverkoop aan de verkoper toekent.
Het geschil betrof de vraag of dit antispeculatiebeding als verkoopregulerend beding in de zin van artikel 9, lid 5, Wet BRV moest worden aangemerkt en of dit de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting beïnvloedde. Het Hof oordeelde dat het beding geen verkoopregulerend beding was, maar een earn-outregeling, en dat geen waardedrukkende factor was aangetoond.
De Hoge Raad stelde vast dat het begrip verkoopregulerend beding ruim moet worden uitgelegd en dat een beding waarbij de koper winst bij doorverkoop geheel of gedeeltelijk moet afdragen aan de verkoper, hieronder valt. Echter, de heffingsgrondslag wordt niet automatisch gelijkgesteld aan de koopprijs van de aandelen bij aanwezigheid van zo'n beding.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard omdat het Hof terecht had geoordeeld dat geen waardedrukkende invloed was aangetoond. Het voorwaardelijke incidentele beroep verviel omdat het principale beroep niet slaagde.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en bevestigde hiermee de eerdere uitspraken van lagere rechters.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; het antispeculatiebeding is een verkoopregulerend beding maar leidt niet tot een andere heffingsgrondslag.