Conclusie
1.Inleiding
Rechtbank Noord-Hollandheeft belanghebbendes beroep daartegen ongegrond verklaard. Doel en strekking van art. 9(5) Wet BvR verzetten zich volgens haar weliswaar niet tegen overeenkomstige toepassing van die bepaling op de verkrijging van ozr-aandelen, maar de maatstaf van heffing is niet de koopprijs voor de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaken van de NV (art. 10 Wet Pro BvR), zonder correctie. Dat de NV deels met vreemd vermogen is gefinancierd, staat geheel los van het verkoopregulerende beding.
Gerechtshof Amsterdamheeft belanghebbendes hogere beroep ongegrond verklaard. Anders dan de rechtbank acht zij art. 9(5) Wet BvR niet van toepassing omdat het anti-speculatiebeding volgens hem geen verkoopregulerend beding is zoals bedoeld in die bepaling, hoezeer ook beide partijen daarvan uitgaan. Volgens het Hof gaat het om een temporeel beperkte
earn outdie de belanghebbende geen verkooprestricties oplegt, noch ter zake van de kring van toekomstige kopers, noch ter zake van de prijs waartegen verkocht mag worden. Subsidiair oordeelt het Hof dat als het beding wel als verkoopregulerend moet worden beschouwd, hij zich aansluit bij het oordeel van de Rechtbank, zowel wat betreft de toepasbaarheid van art. 9(5) Wet BvR als wat betreft het oordeel dat dat de belanghebbende niet helpt omdat niet aannemelijk is dat het beding de waarde van het verkregene drukt.
vier cassatiemiddelenvoor: (i) het Hof is buiten de rechtsstrijd getreden omdat niet in geschil was dat het anti-speculatiebeding een verkoopregulerend beding is als bedoeld in art. 9(5) Wet BvR; (ii) het Hof heeft daarmee ook het zorgvuldigheids-beginsel en/of het verdedigingsbeginsel geschonden; (iii) uit niets blijkt dat, laat staan waarom, een
earn outregeling geen verkoopregulerend beding zou kunnen zijn in de zin van in art. 9(5) Wet BvR. Het Hof miskent dat de wetgever de term ‘verkoopregulerend beding’ ruim opvat en dat uit de MvT blijkt dat die term ook winstdelingsregelingen omvat; (iv) onjuist is ‘s Hofs oordeel dat voor de kwalificatie van een beding als verkoopregulerend van belang zou zijn dat de omvang van de waardedruk bepaald kan worden. Noch de duidelijke wettekst (‘tegenprestatie’), noch de bedoeling van de wetgever biedt steun aan die opvatting.
verweerden
voorwaardelijk incidenteel cassatieberoepingesteld tegen ‘s Hofs oordeel ten overvloede dat art. 9(5) Wet BvR ook van toepassing is als niet rechtstreeks een onroerende zaak wordt verkregen maar aandelen in een rechtspersoon. Zijns inziens is art. 10 Wet Pro BvR een exclusieve
lex specialisvoor de maatstaf van heffing bij verkrijging van ozr-aandelen, zodat art. 9(5) Wet BvR niet relevant is.
lex specialiszou zijn ten opzichte van art. 9(5) Wet BvR (heffing over de tegenprestatie). De fictie van art. 4 Wet Pro BvR (aandelen in oz-rechtspersonen worden geacht onroerende zaken te zijn) dient slechts ter voorkoming dat tussenschuiving van een rechtspersoon heffing van overdrachtsbelasting frustreert. Het valt niet in te zien dat de wetgever wél met waardedrukkende verkoopregulering rekening wilde houden bij directe verkrijging en niet bij indirecte verkrijging van dezelfde onroerende zaak, want de waardedruk is dezelfde. Hij heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat waardedruk door verkoopregulering zich net zo bij fictieve onroerende zaken kan voordoen als bij stenen. Het strookt met doel, strekking en systeem van de wet en het past in de lijn van de Doorkijkarresten (zie 7.3 t/m 7.5 hieronder) om art. 9(5) Wet BvR en art. 10 Wet Pro BvR zo uit te leggen dat ook bij de verkrijging van ozr-aandelen rekening wordt gehouden met waardedrukkende verkoopregulerende bedingen.
specialisvan art. 10 Wet Pro BvR van enige tegenprestatie en is uitgangspunt de
waardevan de onroerende zaken van de oz-rechtspersoon. Bij verkrijging van ozr-aandelen moet de term ‘tegenprestatie’ in art. 9(5) Wet BvR mijns inziens dus gelezen worden als ‘waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken van de rechtspersoon.’ Vervolgens wordt die waarde op grond van art. 9(5) Wet BvR verminderd met eventuele waardedruk door een verkoopregulerend beding.
voor de aandelen. Zoals bleek, acht ik dat onverdedigbaar omdat bij ozr-aandelen het wettelijke uitgangspunt is de waarde van het vastgoed van de rechtspersoon. Nu geen ‘tegenprestatie’ voor het onderliggende vastgoed voorhanden is en daarom ex art. 10 Wet Pro BvR aangesloten moet worden bij de waarde van het vastgoed, moet de belanghebbende aannemelijk maken dat die waarde te hoog is als gevolg van waardedrukkende werking van het anti-speculatiebeding. De feitenrechters hebben vastgesteld dat zij geen waardedruk aannemelijk heeft gemaakt. Dat bewijsoordeel is geenszins onbegrijpelijk, gegeven dat de belanghebbende daartoe niets (subsidiair) heeft aangevoerd. Ik meen dat principaal middel (iv) daarop afstuit.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
(i) alle Panden, of
NLF2020/2783 dat art. 10 Wet Pro BvR een uitzondering is op de hoofdregel van grondslagbepaling in art. 9(1) Wet BvR en dat zijns inziens ook de andere uitzonderingen op die hoofdregel, dus ook art. 9(5) Wet BvR, bij de verkrijging van fictieve onroerende zaken alleen gelden als de wetgever dat op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt. Hij merkt op dat bij de uitleg van de Wet BvR de trend is economisch gelijke gevallen gelijk te behandelen. In het oordeel van Rechtbank klinkt zijns inziens door dat de verkrijging van onroerende zaken en fictieve onroerende zaken zoveel mogelijk gelijk moet worden behandeld.
BNB1993/232 (zie 5.1 hieronder). Toepassing van die bepaling, die voorkomt dat de last van verkoopregulerende bedingen bij de tegenprestatie wordt opgeteld voor de bepaling van de heffingsmaatstaf, brengt volgens haar mee dat haar agiostorting in de NV, die die storting heeft gebruikt om een lening vervroegd af te lossen, geen onderdeel is van de ‘prijs en lasten’ opgeofferd voor de aandelen. Zij stelde dat:
NLF2022/0878) meent met het Hof dat een ‘doorkijk’-toepassing van art. 9(5) Wet BvR, dus ook op indirecte verkrijging van door een oz-rechtspersoon gehouden onroerende goed, strookt met doel en strekking van die bepaling. In geval van een verkoopregulerend beding past het zijns inziens economisch om ook bij verkrijging van ozr-aandelen de heffingsmaatstaf te maximeren. Hij geeft niet aan op welk bedrag.
3.Het geding in cassatie
earn-outregeling als aangenomen door het Hof geen verkoopregulerend beding zou kunnen zijn in de zin van art. 9(5) Wet BvR. Elke motivering voor dat oordeel ontbreekt. Het Hof miskent dat de term ‘verkoopregulerend beding’ volgens de wetgever ruim moet worden uitgelegd. Uit de MvT volgt dat die term ook ziet op winstdelingsregelingen zoals een
earn out. Dat het anti-speculatiebeding in de tijd beperkt is, staat niet in de weg aan de kwalificatie als verkoopregulerend beding. Uit de inleiding van de MvT bij art. 9(5) Wet BvR volgt dat die bepaling ziet op “bepalingen, die in de regel een zekere tijd gelden” en op “bedingen, dat indien bij verkoop van het onroerend goed de verkoopprijs hoger is dan een zeker bedrag (…), de verkoper een gedeelte van het verschil moet afdragen aan de gemeente (winstdelingsbeding).” De belanghebbende citeert die inleiding (zie de eerste alinea van het citaat in 4.9 hieronder).
verweerstelt de Staatssecretaris ad de middelen (i) en (ii) dat het Hof een andere juridische duiding aan het overeengekomen beding mocht geven dan de partijen. [5] Aan eensluidende opvattingen van partijen over de toepassing van het recht is de rechter immers niet gebonden; het is zijn taak om daarover zelf te oordelen (art. 8:69(2) Awb).
incidenteel cassatieberoepingesteld tegen ‘s Hofs oordeel dat art. 9(5) Wet BvR ook van toepassing is als een onroerende zaak niet rechtstreeks wordt verkregen maar via aandelen in een rechtspersoon. Zijns inziens is art. 10 Wet Pro BvR een exclusieve
lex specialisvoor de maatstaf van heffing bij verkrijging van ozr-aandelen. De tegenprestatie voor de verkrijging van de aandelen vertegenwoordigt immers de waarde van die aandelen en niet de waarde van het door die aandelen vertegenwoordigde vastgoed.
repliekherhaalt de belanghebbende dat niet in geschil is dat het anti-speculatiebeding een verkoopregulerend beding is in de zin van art. 9(5) Wet BvR. De rechtsstrijd gaat over de rangorde tussen art. 9(5) Wet BvR en art. 10 Wet Pro BvR, waar het Hof ten onrechte buiten is getreden. Ten aanzien van de kwalificatie van een beding haalt de belanghebbende opnieuw de MvT bij art. 9(5) Wet BvR [6] aan, waaruit volgens haar onmiskenbaar volgt dat een verkoopregulerend beding zoals het litigieuze anti-speculatiebeding ook de vorm kan hebben van een winstdelingsregeling:
4.De wet en de wetsgeschiedenis
.De belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak of het recht waaraan deze is onderworpen, waarop de verkrijging betrekking heeft. De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie.
.Indien voor een goed als bedoeld in artikel 2 een Pro verkoopregulerend beding geldt dat rechtstreeks of middellijk jegens de verkrijger is gemaakt door een publiekrechtelijk lichaam of een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet, is de waarde gelijk aan die van de tegenprestatie en worden voor de bepaling van de tegenprestatie de uit het beding voortvloeiende lasten buiten aanmerking gelaten.
Artikel 9, lid 1.
§ 10. Overdracht van aandelen in een onroerend-goedmaatschappij
Stb.1979, 703. [11] De MvT vermeldt het volgende over de reden voor zijn invoering (toen nog lid 4): [12]
5.Rechtspraak
BNB1980/1 [14] al rekening worden gehouden met het waardedrukkende effect van een van overheidswege opgelegd verkoopregulerend kettingbeding. U overwoog:
BNB1993/232, [15] r.o. 3.3, overwoog u als volgt over de betekenis voor de heffingsmaatstaf van verbintenisrechtelijke bedingen die de waarde van onroerende zaken drukken:
NTFR2009/719:
De omvang van de rechtsstrijd en het verdedigingsbeginsel (middelen (i) en (ii))
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
Overeenkomstig artikel 48 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in het tweede lid bepaald dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult.”
BNB2003/50 [18] overwoog u als volgt in een geschil over omzetbelasting:
BNB2010/50 [19] . In die zaak had het hof een bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, hoewel beide partijen het tijdig achtten. U verklaarde het daartegen gerichte middel gegrond:
earn outbepaling. Nu de opvatting van de partijen niet bepalend is voor rechtskundige oordelen, hoefde het Hof hen daarover niet expliciet te horen. Ik vat middel (ii) daarom op als klagende dat dat het Hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. De belanghebbende weerspreekt bij repliek echter niet de stellingen van de Staatssecretaris in verweer dat de Inspecteur in van hem afkomstige processtukken in hoger beroep de kwalificatie ter discussie heeft gesteld [29] en dat het Hof de partijen ter zitting de vraag heeft voorgelegd of een kortlopende
earn outregeling wel als verkoopregulerend beding in de zin van art. 9(5) Wet BvR kan worden aangemerkt. Gezien het verloop van de procedure, kan mijns inziens niet van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing worden gesproken. Ook de definitie van het geschil zoals de belanghebbende die wenst, nl. uitsluitend de vraag naar de eventuele rangorde tussen de artt. 9(5) en 10 Wet BvR, vereist dat eerst beslist moet worden of die bepalingen beide van toepassing zijn. Is dat niet het geval, dan is een rangordevraag immers betekenisloos.
lex specialisis ten opzichte van art. 9(1) en (5) Wet BvR bij de bepaling van de heffingsgrondslag bij verkrijging van ozr-aandelen. De Staatssecretaris meent dat toepasselijkheid van art. 10 Wet Pro BvR verhindert dat art. 9(5) Wet BvR nog aan de orde kan komen bij zo’n aandelenverkrijging. Beide feitenrechters hebben conform belanghebbendes standpunt geoordeeld, zij het dat dat haar niet hielp. De wettekst, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie bieden geen uitsluitsel over de verhouding tussen art. 9(5) en art. 10 Wet Pro BvR bij verkrijging van ozr-aandelen.
specialisis ten opzichte van art. 9(5) Wet BvR. De grote lijn in die arresten is dat art. 4 Wet Pro BvR, dat ozr-aandelen gelijk stelt met (fictieve) onroerende zaken, geen verdere strekking heeft dan het tegengaan van belastingontwijking door tussenschuiving van een rechtspersoon en dat daarom niet valt in te zien waarom de vrijstellingen in de Wet BvR niet evenzeer zouden gelden bij de verkrijging van ozr-aandelen als het geval zou zijn geweest bij rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaken van de rechtspersoon. Deze ‘geen-verdere-strekking’-benadering leidt in ons geval tot de slotsom dat, behoudens andersluidende aanwijzingen in de wetsgeschiedenis (die er niet zijn), niet valt in te zien waarom bij fictieve onroerende zaken geen rekening gehouden zou moeten worden met waardedruk door verkoopregulering waar dat bij niet-fictieve onroerende zaken wel gebeurt.
BNB2007/167 [30] betrof een oz-rechtspersoon met één onroerende zaak die was ingeschreven in het monumentenregister. In geschil was of de verkrijging van de aandelen was vrijgesteld ex art. 15(1)(p) Wet BvR, dat tot 1 januari 2010 de verkrijging van monumenten vrijstelde. U overwoog:
BNB2011/219 [31] ging over de vrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BvR bij verkrijging van aandelen in een oz-rechtspersoon die ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase bezat, waarop omzetbelasting valt. U overwoog:
BNB2019/37, [32] betrof de schenking van aandelen in een oz-rechtspersoon. In geschil was of de verkrijging viel onder de vrijstelling ex art. 15(1)(b) Wet BvR voor bedrijfsopvolging binnen de familie. U overwoog:
tegenprestatie, maar bij de
waardevan de onroerende zaken van de oz-rechtspersoon. Huns inziens is om die reden ook art. 9(1) Wet BvR (‘De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie’) al niet van toepassing op de verkrijging van ozr-aandelen, laat staan lid 5 (ik laat voetnoten weg):
Voorbeeld
nietis versterkt met een kettingbeding?
BNB1980/1,
BNB1982/99,
BNB1982/100 en
BNB1998/33; PJW].
2. Wanneer is een beding, gelet op de inhoud, aan te merken als een verkoopregulerend beding in de zin van art. 9, lid 5, WBR?
‘Het doel van al deze bepalingen is de gemeente meer greep op het huisvestingsbeleid te verschaffen en speculatie in nieuwbouwwoningen tegen te gaan. Inhoudelijk bestaan er grote verschillen tussen deze bepalingen.’Van een ruime opvatting aangaande het begrip verkoopregulerend beding getuigt ook het arrest van Hof Leeuwarden 27 februari 2009. [34] Volgens het hof is in de wet niet vastgelegd dat de regeling bij uitsluiting is bedoeld om een gemeente of woningbouwcorporatie in staat te stellen meer greep op het huisvestingsbeleid te krijgen en/of speculatie in nieuwbouwwoningen tegen te gaan. In het desbetreffende geval ging het om een aan de gemeente Groningen (verkoper) toebehorende boerderij die op de nominatie stond te worden gesloopt. De boerderij was gekraakt door een gezin dat wegens wangedrag uit een van de woningen van de woningbouwcorporatie (koper) was gezet. In de akte van levering (gemeente – woningbouwcorporatie) was overeengekomen dat de woningbouwcorporatie op het moment dat het gezin de boerderij metterwoon mocht hebben verlaten verplicht was de boerderij aan de gemeente te koop aan te bieden, tegen een koopsom van één euro (€ 1,00) en dat de gemeente in dat geval verplicht was het aanbod tot koop te aanvaarden. Idem op het moment dat de gemeente het verkochte nodig mocht hebben in verband met een voorgenomen plan- of herontwikkeling. Naar het oordeel van het hof was hier sprake van een verkoopregulerend beding in de zin van art. 9, lid 5, WBR. Hof Amsterdam 15 maart 2022 [onze zaak; PJW] echter oordeelde ambtshalve (anders dan belastingplichtige, de inspecteur én de rechtbank in eerdere instantie) dat in de aldaar voorliggende zaak geen sprake was van een verkoopregulerend beding. Uit de bewoordingen van het beding in die zaak (zie. r.o. 2.3 van de uitspraak) volgt dat aan de verkrijger
lex specialisten opzichte van art. 9(5) Wet BvR zou zijn, noch in de wet, noch in de wetsgeschiedenis, noch in doel en strekking van de wet, noch in de rechtspraak. De fictie van art. 4 Wet Pro BvR (aandelen in oz-rechtspersonen worden geacht onroerende zaken te zijn) heeft geen verdere strekking dan voorkomen dat door tussenschuiving van een rechtspersoon de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Het past in de lijn van de op dat inzicht gebaseerde doorkijkarresten om art. 9(5) Wet BvR en art. 10 Wet Pro BvR zo uit te leggen dat ook bij de bepaling van de maatstaf van heffing bij de verkrijging van ozr-aandelen rekening wordt gehouden met waardedrukkende verkoopregulerende bedingen. Met de Rechtbank zie ik niet in waarom de wetgever wél met waardedrukkende verkoopregulering rekening zou willen houden bij directe verkrijging en niet bij indirecte verkrijging van dezelfde onroerende zaak. De waardedruk is dezelfde en daarmee wilde de wetgever rekening houden.
gelijkgesteld is, niet. Men moet de term ‘tegenprestatie’ in art. 9(5) Wet BvR in geval van verkrijging van fictieve onroerende zaken mijns inziens daarom met verstand lezen omdat de wetgever alleen heeft gedacht aan de tegenprestatie voor vastgoed. Gaat het om fictief vastgoed, dan abstraheert de (mijns inziens
niet-exclusieve)
specialisvan art. 10 Wet Pro BvR van enige tegenprestatie en is uitgangspunt de
waardevan de onroerende zaken van de oz-rechtspersoon. Dat sluit uit dat de wijze van financiering van die zaken door de rechtspersoon relevant zou zijn. De Rechtbank heeft daarom mijns inziens terecht geoordeeld dat dergelijke vennootschappelijke omstandigheden, die niets te maken hebben met het effect van het verkoopregulerende beding, geen invloed hebben op de maatstaf van heffing, noch onder art. 10, noch onder art. 9(5) Wet BvR. In het geval van verkrijging van ozr-aandelen moet de term ‘tegenprestatie’ in art. 9(5) Wet BvR mijns inziens dus gelezen worden als ‘waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken van de rechtspersoon.’ Vervolgens wordt die waarde op grond van art. 9(5) Wet BvR verminderd met een eventuele waardedruk door een verkoopregulerend beding.
voor de aandelen. Zoals bleek, acht ik dat standpunt onverdedigbaar omdat bij ozr-aandelen het wettelijke uitgangspunt is
de waarde van het vastgoed van de rechtspersoon. Het evident contrarationele resultaat van belanghebbendes standpunt veroordeelt trouwens ook zichzelf. Nu geen ‘tegenprestatie’ voor het onderliggende vastgoed voorhanden is, maar alleen een heffingsgrondslag-irrelevante tegenprestatie voor de aandelen, en daarom volgens art. 10 Wet Pro BvR aangesloten moet worden bij de waarde van het vastgoed, zal de belanghebbende aannemelijk moeten maken dat die waarde te hoog is als gevolg van waardedrukkende werking van het anti-speculatiebeding. De feitenrechters hebben vastgesteld dat zij geen waardedruk aannemelijk heeft gemaakt. Dat bewijsoordeel is geenszins onbegrijpelijk, gegeven dat de belanghebbende niets van dien aard heeft aangevoerd omdat zij bleef vasthouden aan het standpunt dat zij niets hoefde te bewijzen omdat zij zou mogen uitgaan van de tegenprestatie voor de aandelen.
Quod non. Zij heeft geen subsidiar standpunt ingenomen inhoudende dat de waarde van het onderliggende vastgoed lager is dan de vrije waarde in het economische verkeer, laat staan dat zij daarvoor bewijs heeft aangedragen, hetgeen wel voor de hand lag, gezien de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft niet gesteld dat bij de verkrijging al vast stond dat zij (een deel van) de aandelen binnen de winstdelingstermijn zou doorverkopen of dat de NV (een deel van) het vastgoed zou verkopen.