ECLI:NL:HR:2023:652
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij gecombineerde belastingaanslagen
Belanghebbende had voor het belastingjaar 2018 aanslagen ontvangen voor onroerendezaakbelasting, afvalstoffenheffing en rioolheffing, verenigd in één aanslagbiljet. Tegen deze aanslagen werd één bezwaarschrift ingediend, waarna één uitspraak op bezwaar volgde en één beroepschrift werd ingediend. De Rechtbank Amsterdam behandelde de zaak als één zaak.
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde dat sprake was van één zaak en stelde de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vast op €500. Belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel en tegen het niet vergoeden van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over de eenheid van de zaak niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd was en verwierp dit middel. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het Hof had verzuimd de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep, en verklaarde het cassatieberoep gegrond. Het arrest veroordeelde het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van het griffierecht en in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.