Conclusie
1.Inleiding en overzicht
de legeszaken). Deze zaken betreffen uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [1] In de zaak met nr. 22/02936 gaat het om de heffing van waterschapsbelasting (
de waterschapsbelastingzaak). Deze zaak betreft een uitspraak van gerechtshof Amsterdam. [2]
begroting niet heeft toegezondenaan de bestuursrechter,
hoewelde begroting
een op de zaak betrekking hebbend stukis als bedoeld in art. 8:42 Awb Pro.
De vraagis of
art. 8:42 Awb Prodaarmee is geschonden, eerst door het bestuursorgaan en vervolgens door de feitenrechter gelet op zijn ambtshalve taak toe te zien op de naleving van art. 8:42 Awb Pro.
toch te selecteren voor conclusiein verband met die kwestie. Reden is dat de kwestie niet alleen in deze zaken speelt, maar zich gelet op de feitenrechtspraak geregeld aandient (vgl. 3.4-3.8). De kwestie raakt bovendien bredere thema’s, zoals de uitleg van art. 8:42 Awb Pro wat betreft stukken die reeds (algemeen) openbaar zijn (gemaakt), en de verhouding tussen art. 8:42 Awb Pro en de regeling in bepaalde procesreglementen dat een algemeen toegankelijk stuk niet hoeft te worden ingediend indien de vindplaats daarvan is vermeld (3.10 en 3.12). Wat betreft het eerste thema merk ik ook op dat de feitenrechtenspraak wat betreft uitkomst weliswaar op één lijn zit (het wordt niet aan het bestuursorgaan tegengeworpen dat een openbaar stuk niet is overgelegd), maar dat er verschillen lijken te zijn wat betreft de onderliggende juridisch redenering, i.e. de uitleg van art. 8:42 Awb Pro (vgl. 3.18).
verschillende vragen. Is de vaststelling van een begroting een besluit van algemene strekking, waarvoor op grond van art. 3:42 Awb Pro geldt dat het moet worden bekendgemaakt op de wijze bepaald in de Bekendmakingswet? Is die vaststelling eigenlijk überhaupt een besluit? Als de vaststelling van een begroting geen besluit van algemene strekking is, geldt op grond van een andere regeling dan wellicht een verplichting tot algemene openbaarmaking van de begroting? Als een openbaarmakingsregime van toepassing is op de begroting – via de Awb of anderszins – brengt dat dan mee dat het desbetreffende bestuursorgaan de begroting niet aan de bestuursrechter hoeft toe te zenden, hoewel art. 8:42 Awb Pro dat wel voorschrijft voor een op de zaak betrekking hebbend stuk? En hoe zit het indien geen openbaarmakingsregime geldt, maar de begroting feitelijk wel openbaar is gemaakt? Moet art. 8:42 Awb Pro naar de letter worden toegepast, of kan het ook naar zijn strekking worden uitgelegd? En wat is die strekking dan?
art. 8:42 Awb Proneergelegde verplichting voor het bestuursorgaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken te zenden aan de bestuursrechter. Daarbij besteed ik vooral aandacht aan de strekking van het artikel, alsmede aan de strekking van art. 7:4(2) Awb (zijn evenknie voor de bezwaarfase). Gelet op de vergelijkbare strekking van de artikelen en een arrest van 18 augustus 2023 over de toepassing van art. 7:4(2) Awb, meen ik dat indien een bestuursorgaan een stuk niet heeft toegezonden aan de bestuursrechter, art. 8:42 Awb Pro toch niet wordt geschonden, mits het stuk op een zodanige wijze openbaar is (gemaakt) dat daarmee is voldaan aan de strekking van die bepaling.
rechtspraak over het al dan niet overleggen van openbare stukken. Daarbij komen ook procesreglementen aan bod. Twee van die reglementen kennen een regeling die meebrengt dat een algemeen toegankelijk stuk niet hoeft te worden ingediend indien de vindplaats daarvan is vermeld.
procesreglementengeeft aanleiding voor een tussentijdse beschouwing in
onderdeel 4over de verhouding tussen die regeling en de toezendverplichting van art. 8:42 Awb Pro. Ik meen dat art. 8:42 Awb Pro zich niet ertegen verzet dat een algemeen toegankelijk stuk niet wordt toegezonden, maar in plaats daarvan wordt volstaan met vermelding van de vindplaats ervan. Ik bepleit verder om de feitenrechter de ruimte te geven om te borgen dat in het concrete geval aan de strekking van art. 8:42 Awb Pro is voldaan. Belangrijk aandachtspunt daarbij is de bestendige beschikbaarheid van het stuk.
besluit van algemene strekkingis zoals omschreven in art. 3:42 Awb Pro. Is dat namelijk het geval, dan zou de bekendmaking ervan op grond van art. 6 Bekendmakingswet Pro moeten gebeuren door plaatsing in het waterschapsblad onderscheidenlijk het gemeenteblad. Ik beantwoord die vraag echter ontkennend. Bij de onderbouwing komen eerst de volgende onderwerpen aan de orde: (i) het vaststellen van een begroting; (ii) de autorisatiefunctie van een begroting, en (iii) de autorisatie als rechtshandeling. Vervolgens komt in verband met het mogelijke besluitkarakter van een begroting aan bod (iv) de kwestie of het vaststellen van een begroting externe rechtsgevolgen heeft, en (v) de invalshoek dat toezicht op de begroting plaatsvindt. Mijn bevinding is dat (a) de diverse (rechts)bronnen geen eenduidig antwoord geven op de vraag of het vaststellen van een begroting
een besluitin de zin van art. 1:3 Awb Pro is, maar dat (b) deze handeling hoe dan ook als uitgangspunt geen besluit
van algemene strekkingis.
openbaarmakingvan een waterschappelijke of gemeentelijke begroting is
op grond van een andere wetdan de Awb. Ik heb geen aanknopingspunt gevonden voor een bevestigend antwoord. De Waterschapswet en Gemeentewet verplichten slechts ertoe dat het ontwerp en wijzigingen van de begroting voor eenieder ter inzage worden gelegd en algemeen verkrijgbaar worden gesteld en ook dat openbaar kennis wordt gegeven van hun terinzagelegging als verkrijgbaarstelling. Een verplichting heb ik evenmin aangetroffen in de Bekendmakingswet. Zo is de kennisgeving van de terinzagelegging en verkrijgbaarstelling van een begroting, naar de bedoeling van de wetgever, niet een kennisgeving die valt onder art. 12(1) Bekendmakingswet.
onderdeel 7onderzoek ik of de begrotingen die aan de orde zijn in de voorliggende zaken,
feitelijk openbaarzijn gemaakt. Indien een begroting feitelijk openbaar is gemaakt, kan dat namelijk meebrengen dat voldaan is aan de strekking van art. 8:42 Awb Pro. Voor zowel de begroting in de waterschapsbelastingzaak als de begroting in de legeszaken geldt dat zij openbaar is gemaakt. Wat de betekenis daarvan is voor de beoordeling van de klacht(en) in cassatie over schending van art. 8:42 Awb Pro, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dit behandel ik daarom in de conclusies waarbij deze bijlage hoort.
beslispuntenvoor de Hoge Raad wat betreft de (onderliggende) meer algemene kwestie of op de zaak betrekking hebbende stukken die tevens openbaar zijn, moeten worden toegezonden, kom ik op het volgende:
2.Art. 8:42(1) Awb en zijn strekking
Inleiding
3.De rechtspraak over het al dan niet overleggen van openbare stukken
nietopenbaar hoeft te worden gemaakt op grond van de Wob (inmiddels vervangen door de Wet open overheid (Woo) [29] ), niet van belang is voor het antwoord op de vraag of het stuk betrekking heeft op de zaak en moet worden overgelegd. Het arrest zegt naar mijn mening niets over het antwoord op de vraag of indien een stuk op grond van de Woo
welopenbaar moet worden gemaakt, of zelfs is openbaar gemaakt, het stuk al dan niet moet worden overgelegd op grond van art. 8:42(1) Awb, indien het stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Het komt mij niettemin voor dat de enkele omstandigheid dat een stuk openbaar is doordat het is ‘ge-woo’d’ nog niet meebrengt dat het stuk niet hoeft te worden overgelegd op grond van art. 8:42 Awb Pro. Dat is niet anders indien het stuk is ge-woo’d door de belanghebbende, reeds omdat art. 8:42 Awb Pro ook ertoe strekt dat de rechter over het stuk moet kunnen beschikken.
Intermezzo: verhouding toezendverplichting art. 8:42 Awb Pro en de bepaling in procesreglementen over algemeen toegankelijke stukken
kunnenzijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [53] De omstandigheid dat het stuk ‘algemeen toegankelijk’ is, ontneemt een stuk niet de status van een stuk als bedoeld in art. 8:42 Awb Pro.
kenbaarmaakt dát het desbetreffende stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is. De tweede functie is dat de vindplaats-vermelding maakt dat de rechter en de belanghebbende het stuk kunnen opzoeken. De vindplaats-vermelding moet daarom voldoende concreet zijn.
hetzelfdestuk beschikbaar blijft. [56] Ander inherent nadeel van een vindplaats-vermelding ten opzichte van toezending is namelijk dat er een risico bestaat dat de rechter en de partijen niet uitgaan van hetzelfde stuk, omdat het stuk op enig moment is gewijzigd. Dit aspect van bestendige beschikbaarheid is overigens niet alleen van belang voor de desbetreffende procedure voor de feitenrechter maar kan ook van belang zijn voor het eventuele vervolg van de procedure in cassatie. De beoordeling in cassatie van een klacht over de begrijpelijkheid van een oordeel in het licht van een bepaald stuk dat voor de feitenrechter alleen met een vindplaats-vermelding is ‘ingebracht’, kan immers ernstig erdoor worden bemoeilijkt indien dat stuk niet langer digitaal beschikbaar is.
Openbaarmaking van de waterschappelijke of gemeentelijke begroting: via de Awb?
nietkan worden aangemerkt als een besluit van algemene strekking.
rechtshandeling is. Dit is het geval als de handeling gericht is op een publiekrechtelijk rechtsgevolg.
Van Roijen q.q. / Staat. [71] Van Roijen was de curator van een zekere heer Van A., een gewezen ambtenaar in het voormalige Nederlands-Indië. Er was bij wet aan de begroting van de voormalige kolonie toegevoegd dat aan Van A. een tegemoetkoming zou worden verleend. De curator stelde dat uit deze wet een vordering van Van A. op de Staat was ontstaan en vorderde daarom betaling van de begrote som. De curator kreeg ongelijk. De Hoge Raad gaat weliswaar ervan uit dat de begroting de minister machtigt deze som te besteden, maar daarmee is nog niet de verplichting ontstaan voor de Staat dezelfde som te betalen en ook niet het recht ontstaan voor Van A. diezelfde som te vorderen. In algemene termen overweegt de Hoge Raad namelijk:
Van Roijen q.q. / Staat, waarin hij overweegt dat een verbintenis slechts kan ontstaan uit een wet of besluit (zie 5.12). Ik citeer nogmaals de regering: [75]
Van Roijen q.q. / Staatmoge stokoud zijn, het blijkt nog steeds actueel te zijn in een uitspraak van het College van 12 maart 2008, AB 2008/256 [80] . Deze uitspraak ziet op een geschil tussen de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (de NVV) en het Productschap Vee en Vlees (het PVV). De NVV stelde dat het PVV structureel financiële reserves aanhield tot een te hoog niveau. Volgens de NVV moesten de reserves worden afgebouwd door het verlagen van de heffingen ten laste van varkenshouders en daarmee het verminderen van inkomsten voor het PVV. Met het oog daarop kwam de NVV in bezwaar en beroep tegen de besluiten tot het vaststellen van de begroting van het PVV voor 2005, 2006 en 2007. Van ambtswege beoordeelt het College of het beroep wel ontvankelijk is. Dat is niet het geval omdat de NVV niet een belanghebbende is bij deze besluiten, aldus het College:
Van Roijen q.q. / Staat– dat met die besluiten een rechtsgevolg wordt beoogd in de vorm van een machtiging tot het doen van uitgaven. Zoals de Hoge Raad in dat arrest besliste dat zo’n machtiging nog niet een privaatrechtelijke verbintenis voor derden schept, zo ook oordeelt het College in AB 2008/256 dat zo’n machtiging net zo min een publiekrechtelijke verplichting of recht voor derden schept. Daarom is de NVV niet een belanghebbende bij de begroting(sbesluiten). AB 2008/256 impliceert dat alleen het dagelijks bestuur van het PVV een belanghebbende daarbij is. Wel nuanceert het College dat het anders kan zijn in bijzondere omstandigheden, maar zulke omstandigheden doen zich bij de NVV niet voor.
Van Roijen q.q. / Staatblijkt zelfs nog springlevend te zijn. In een uitspraak van 27 mei 2015, JB 2015/118, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van het College in AB 2008/256 en daarmee indirect naar dat arrest. [81] De uitspraak betreft een geschil van een aannemingsbedrijf met een gemeente over de programmabegroting voor 2013-2016. De Afdeling beslist dat het bezwaar van het aannemingsbedrijf tegen de begroting terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het vaststellen van deze begroting niet een besluit is als bedoeld in art. 1:3(1) Awb:
in de regelgeen sprake van een besluit met externe rechtsgevolgen,3 hoewel men kan betogen dat de begroting ook ‘buiten het orgaan’ werkt. Op basis van de begroting mag het college immers uitgaven doen, hoewel de begroting het college daartoe behoudens bijzondere omstandigheden niet verplicht. Extern, betekent overigens ‘buiten het bestuursorgaan’. Van een extern werkende beslissing kan al sprake zijn als een beslissing primair rechtgevolgen heeft voor een
anderbestuursorgaan dat tot
dezelfderechtspersoon behoort.4
een besluitis, is gelet op het voorgaande niet duidelijk. Het antwoord op de hoofdvraag is niettemin wel duidelijk: het vaststellen van een begroting is in elk geval niet een besluit
van algemene strekking. In de opvatting van de Afdeling is deze handeling niet aan te merken als zo’n besluit, alleen al omdat zij niet een besluit als bedoeld in art. 1:3(1) Awb is. Die handeling is in de opvatting van het College weliswaar een besluit maar zij is ook dan niet aan te merken als een besluit van algemene strekking omdat – althans, zo versta ik het College – het besluit is gericht tot één belanghebbende. Dit is degene die met het vaststellen van de begroting wordt gemachtigd om tot de begrote bedragen uitgaven te doen, namelijk het bestuur. Anders gezegd, de begroting doet niet meer maar ook niet minder dan het bestuur autoriseren. Daartoe is het rechtsgevolg van de begroting beperkt. Het zou anders kunnen zijn in het geval dat het vaststellen van de begroting in wezen neerkomt op het weigeren van het verlenen van een subsidie of het vaststellen van een subsidieplafond. Zowel de Afdeling als het College onderkent deze uitzondering. Er zijn geen aanknopingspunten dat deze uitzondering speelt bij de begrotingen die aan de orde zijn in de onderhavige zaken. En overigens: als de uitzondering wel aan de orde is, hoeft dat nog niet zonder meer te betekenen dat het vaststellen van de begroting een besluit van algemene strekking is.