Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
23 mei 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereiding van moord en medeplegen van poging tot moord, gepleegd in een woonwijk in Amsterdam. Het hof legde een gevangenisstraf van 24 jaar en 6 maanden op.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over de bewijsklachten en strafmotivering. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling.
Wel werd het vijfde cassatiemiddel gegrond verklaard, omdat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door het te laat aanleveren van stukken door het hof. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot 24 jaar en 4 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans op 23 mei 2023.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 jaar en 6 maanden naar 24 jaar en 4 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.