Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 mei 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de burgerlijke rechter bevoegd is om in kort geding te beslissen over een vordering tot invrijheidsstelling in afwachting van een beslissing op de vordering van de officier van justitie om voorwaardelijke invrijheidsstelling achterwege te laten. De zaak betreft een cassatieberoep van eiser tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet vereist is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding. Het arrest is gewezen door de vicepresident Polak als voorzitter en de raadsheren Sieburgh, Lock, ter Heide en Kooijmans, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt bevoegdheid burgerlijke rechter in kort geding over invrijheidsstelling.