Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5-6.7. Het berust op het uitgangspunt dat de gevangenisstraf eindigde op de v.i.-datum. Op basis van dat uitgangspunt klaagt het dat na die datum de toepassing van art. 6:6:8 lid Pro 5 (oud) niet is ingegeven door een voorafgaande strafrechtelijke beslissing, maar door een verdenking van een nieuw strafbaar feit. Dat betekent volgens het onderdeel dat hier geen sprake is van een voortzetting van een detentie (de oude straf), maar van vrijheidsberoving zonder dat zich over de rechtmatigheid daarvan binnen bekwame tijd een rechter zich heeft uitgelaten. Dit maakt dat art. 6:6:8 lid 5 Sv Pro oud in de onderhavige situatie onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met art. 5 lid 1 onder Pro c en lid 3 EVRM, aldus het onderdeel.
onderdelen 2 en 3berusten op hetzelfde uitgangspunt als onderdeel 1. Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof ook in strijd komt met art. 3 EVRM Pro, onderdeel 3 dat het hof heeft miskend dat een ongelimiteerde aanhouding van de beslissing op de v.i.-vordering leidt tot vrijheidsberoving zonder dat betrokkene een effectieve toegang heeft tot de rechter, wat in strijd is met de art. 6 en Pro 13 EVRM.
vervroegdeinvrijheidstelling. [8] In die regeling werd de veroordeelde van rechtswege en zonder voorwaarden in vrijheid gesteld op de door de wet daarvoor aangewezen dag (te weten de dag waarop de veroordeelde tweede derde van de straf heeft ondergaan; zie het toenmalige art. 15 lid 2 Sr Pro oud). De vervroegde invrijheidstelling kon eventueel wel worden uitgesteld of zelfs geheel achterwege worden gelaten op vordering van het openbaar ministerie, onder meer als:
inrichtingvan de procedure bij de andere rechter tekortschiet doordat deze onvoldoende met waarborgen is omkleed of – wat een species daarvan is – daarin niet wordt beslist door een rechter die aan de eisen van art. 6 EVRM Pro voldoet, of in die procedure niet (in voldoende mate) de voorziening kan worden verkregen die noodzakelijk of passend is te achten. [27] De burgerlijke rechter verleent geen aanvullende rechtsbescherming in het geval in de rechtsgang bij een andere rechter, al dan niet vermeend, fouten zijn gemaakt of verkeerde beslissingen zijn gegeven en gezegd zou kunnen worden dat de rechtsbescherming in die rechtsgang daarom in het concrete geval is tekortgeschoten. In dat geval zou de burgerlijke rechter immers steeds verkapt een appelrechter zijn voor de uitspraken van andere rechters, wat in strijd zou zijn met de wettelijke rechtsmachtverdeling en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. [28] Voor de burgerlijke rechter is in het geval van fouten en verkeerde beslissingen alleen een taak weggelegd als door die fouten of beslissingen geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en dus sprake is geweest van onrechtmatige rechtspraak. [29] Mooi komt het voorgaande denk ik tot uitdrukking in een arrest uit 1990 waarin door de Hoge Raad in een iets andere context wordt overwogen: